Historisch schriftlezen vraagt scholing
2004-06-11
De bijbel is een historisch boek dat ons door een grote verscheidenheid van situaties en constellaties heenleidt.- Jaargang 48
- nummer 12
Juist de opkomst van de islam onder ons bepaalt ons bij deze prachtige eigenschap van de Schrift.
De koran immers kent dit zo niet en dat geeft aan het islamitisch geloof iets stars en iets ouderwets. Het historische karakter van de bijbel kan ons helpen het anders te doen, beter dan wij het ook zelf in het verleden wel deden.
Maar daarvoor is wel een behoorlijke scholing vereist, willen we niet in een willekeurig bijbelgebruik vervallen.
Vanwege de sterke veranderingen in de tijd die wij doormaken is het meer dan voorheen nodig dat de gemeente in haar gebruik van de Schrift, met name op het gebied van de kleine ethiek, door bescheiden deskundigheid geholpen wordt. Daarover gaat het in dit artikel.
Brug
Uit een en ander van het eerder aangestipte blijkt duidelijk dat de bijbel een leerambt nodig heeft. Dat wil zeggen dat er mensen aangesteld worden die er hun werk van maken de bijbel in het raam van zijn tijd grondig te bestuderen om dan met een gezag dat uiteindelijk niet van henzelf maar van de Schrift is, te kunnen zeggen wat de boodschap is. De indirecte boodschap uit het verleden en de directe boodschap voor het heden. Schriftgeleerdheid is nodig die van de mensen de nederigheid vraagt daarnaar te luisteren en zich daardoor te laten helpen. Dat is juist vanwege het historische karakter van de Schrift noodzakelijk. Een brug moet geslagen worden tussen toen en nu, tussen daar en hier, en dat is niet ieders werk. Het is zeker niet buiten de orde om in dit verband het gebed om de Heilige Geest ter sprake te brengen.
Zijn verlichting is voor het juiste bijbelgebruik inderdaad noodzakelijk.
Maar ook hier geldt: bid en werk. Wij moeten ons tegen een zodanig leerambt niet verzetten vanuit een protestantse koudwatervrees dat we in ons lezen van de bijbel onze zelfstandigheid zouden verliezen. Want het gaat hier om de consequenties die uit het historisch karakter van de Schrift volgen. En ik kan niet geloven dat de reformatie daar uit naam van de mondigheid bezwaar tegen gemaakt zou hebben. En ware dat wel het geval dan lijkt mij de tijd gekomen dat we van een zo opgevatte reformatie (als reactiebeweging tegen een teveel aan autoriteit) afscheid nemen en terugkeren naar wat in de kerk altijd de gewoonte is geweest. Dat namelijk de jonge mensen op betrouwbare wijze werden ingeleid in de geheimen van de Schrift. Dat daar in de kerk een ambt voor is, zoals ook de vaders van de reformatie heel goed wisten. En tot deze geheimen van de Schrift behoort ook dit dat de Here God ons door een grote verscheidenheid van tijden en situaties heenleidt om ons zo te laten zien dat Hij door al deze wisselingen heen dezelfde blijft. En dat dus zijn eigenlijke boodschap ook tegen de sterke veranderingen van de tijd, de voorbije tijd en onze tijd, ruimschoots opgewassen is.
Aanpassingen
Vanwege dit historisch karakter van de Schrift is het mogelijk dat we in de bijbel dingen tegenkomen die tegenstrijdig zijn en die pas wanneer we ze over de tijd verdelen elkaar niet hoeven uit te sluiten. Bijvoorbeeld het ooit gegeven bevel de bevolking van Kanaän uit te roeien en het gebod van Jezus om de vijand lief te hebben.
Als die twee dingen op dezelfde tijd gezegd waren dan zou dat de geloofwaardigheid van de Schrift aantasten, maar nu liggen er eeuwen en eeuwen tussen het een en het ander. Dat maakt dat je weliswaar niet van het laatste, maar wel van het eerste kunt zeggen: dat was toen en niet nu, dat was daar en niet hier. En dit temeer als we merken dat de Here God bij dat bevel van Hemzelf om de bevolking van Kanaän uit te roeien (Deuteronomium 7:1vv) of althans te verdrijven (18:14) een kritische kanttekening geplaatst heeft (het veel betekenende NEEN van God uit Jozua 5: 13–15) die de weg open hield (niet meer dan dat!) voor een veel betere oplossing die pas in het Nieuwe Testament gekomen is. Daar maak je uit op dat God met aanpassingen gewerkt heeft. Hij heeft toen niet tegen zijn volk willen zeggen wat Hij later ons heeft voorgehouden: ‘Zie, Ik zend u als schapen temidden van de wolven’ (Mattheus 10:16), want de Kanaänitische wolven zouden de Israëlitische schapen zonder enige twijfel verslonden hebben. Voor ons die met de ultieme genade van God in Christus gevoed worden is het al een groot wonder dat zoiets niet gebeurt, laat staan voor hen.
Trouwens, over die uitroeiing gesproken, koning David volgde al een andere tactiek. Hij joeg de bevolking van Jeruzalem niet meer over de kling, zodat deze stad later (afgezien van de bestuurlijke bovenlaag die Israëlitisch was) als Kanaänitisch getypeerd kon worden (Ezechiël 16:1vv) – een beginnetje alvast van de nieuwtestamentische situatie van de kerk in de wereld.
De Tien Geboden en Jezus
Aanpassingen. Dat willen we voor de oudtestamentische tijd misschien nog wel toegeven en waar hebben, maar zouden wij er ook voor wat betreft het Nieuwe Testament niet mee moeten rekenen? Er zit in veel oudtestamentische voorschriften iets menselijks, iets tijdelijks. Dat is de reden dat van de wet der Tien Geboden in de Schrift bij herhaling gezegd wordt dat ze door God zelf in de harde steen is gegraveerd.
Daarmee worden die bepalingen uitgetild boven het voorlopige; ze hebben een inspiratie-plus boven de rest.
Zou je nu voor wat het Nieuwe Testament aangaat niet met iets soortgelijks mogen rekenen? Dat we ook daarin met aanpassingen aan de situatie te maken hebben? Ik heb over dezelfde dingen schrijvend wel eens geopperd dat de woorden en het daarmee gepaard gaande optreden van Jezus een grotere reikwijdte hebben dan die van Paulus en de anderen. De Samaritaanse vrouw uit Johannes 4 bijvoorbeeld zou in een gemeente van de apostel geen voet aan de grond hebben gekregen. Stel je voor, iemand met vijf mislukte huwelijken achter de rug en een zesde dat niet eens een huwelijk is… Jezus noemt het wel maar valt er niet over. Ook de op overspel betrapte vrouw wijst Hij niet af.
Vreemd! De situaties waarin we Jezus zien optreden hebben vaak iets eindtijdelijks, iets van een versleten wereld (de joodse wereld van toen, maar ook voor de onze is het wel herkenbaar!), en zijn reageren daarop heeft dientengevolge ook vaak iets uiteindelijks dat voorbij alle franje het wezenlijke tot kenmerk heeft. De bergrede is daarvan het grote voorbeeld. Mogen we misschien zeggen dat zoals de Tien Geboden uitstijgen boven alle Mozaïsche verordeningen, zo wat Jezus leert en doet uitsteekt boven heel het verdere Nieuwe Testament?
Gelaagdheden
Er zouden zo bezien gelaagdheden in de Schrift zitten die ons noodzaken het bijbelgebruik, ook wat het Nieuwe Testament betreft, te nuanceren. De notie dat de bijbel een historisch boek is (hij is veel meer, maar dit ook!), is dan niet alleen voor het Oude Testament bruikbaar. We zouden er ook in het Nieuwe Testament mee moeten rekenen. Het is waar wat de brief aan de Hebreeën zegt dat God nadat Hij vele malen en op vele wijzen tot de vaderen gesproken had, nu in het laatst der dagen tot ons gesproken heeft in de Zoon (1:1). Er zit dus aan de Here Jezus Christus geen ‘voorbij’, dat is duidelijk. Mijn vraag is nu of dit definitieve ook in alle opzichten van zijn apostelen geldt. Of zijn er situaties waarin we tegenover de apostel die ‘meent ook de Geest Gods te hebben’ (1 Corintiërs 7:40) - wat hoe je het ook wendt of keert een relativerende opmerking is - vrijmoedig mogen zeggen dat dezelfde Geest, die ook wij menen te hebben, ons nu iets anders leert?
Is het met andere woorden mogelijk dat we ook in het Nieuwe Testament voorschriften tegenkomen die om zo te zeggen in de natte kalk geschreven staan (zie Deuteronomium 27:1vv en het artikel over Jezus’ verhouding tot de Wet in het nummer van 14 mei jl)?
Als daarop bevestigend zou moeten worden geantwoord dan zou dat gevolgen kunnen hebben voor de twee teksten, de ene uit het Oude en de andere uit het Nieuwe Testament, die ik in het begin van het vorige artikel noemde. Zeker, zij staan in de bijbel en zij blijven daarin staan, we reageren er bepaald niet met minachting op, we puren er zelfs de wijsheid uit dat de emancipatie van betreffende groepen afgestemd moet zijn op wat een samenleving aan kan (om maar iets te noemen), maar we houden op ze als voorschrift te hanteren.
De islam als spiegel
Ik ben bang dat een rigide en ongenuanceerde inspiratieleer aan ons geloof een zelfde ouderwetse kleur geeft als waar de koran in de wereld van de islam voor zorgt. Deze wereld kan dan ook een spiegel zijn waarin we iets van onszelf ontdekken. Van onszelf in ons onhistorisch lezen van de Schrift. Zo zouden wij winst kunnen slaan uit het naast elkaar voorkomen van de twee godsdiensten. Om ons het eigene van ons geloof meer bewust te maken. Wordt er trouwens ook niet een teveel aan energie gestoken in deze bijkomstige geboden van de bijbel? Lijkt het vandaag niet alsof christelijk geloven niet meer betekent dan dat je een opvatting hebt over het bekende rijtje van abortus, euthanasie, de vrouw in het ambt en homoseksualiteit (de kleine ethiek, noem ik het maar)? Geeft dat niet een vertekend beeld van ons geloof?
Kortom, er is vandaag voor de schriftgeleerdheid werk aan de winkel. ‘Om te onderscheiden waarop het aankomt’ (Filippenzen 1:10). Want de mondigheid die nodig is om zelfstandig te Schriften te lezen is een geschenk dat om onderhoud vraagt. Je moet ertoe worden opgevoed (het gezin) en opgeleid (de catechese). En ik spits dat nu toe op de opleiding, in de zin van grondige catechese, want wanneer die gekenmerkt wordt door bekwaamheid, dan zullen er ook ouders zijn die de opvoeding van de volgende generatie met kracht van overtuiging ter hand kunnen nemen.