Als het steeds sneller gaat

2004-06-25
  • Jaargang 48
  • nummer 13
Steeds vaker hoorde je over een nieuwe ziekte. Het ging om vaag samenhangende klachten, variërend van miskramen, bloedingen, verstoppingen aan de urinewegen tot zenuwziektes. Deze symptomen werden vooral bij treinpassagiers en treinpersoneel vastgesteld. Met diagnoses als ‘railway-spine’ en ‘delirium furiosum’ werd de ziekte toegedicht aan de snelheid waarmee treinreizigers zich door het landschap bewogen.
We schrijven de zestiger jaren van de 19e eeuw!

Wij doen nu lacherig over dit soort syndromen. En ik zou veel mensen kwetsen als ik de vergelijking zou maken met ‘ME’ of een ‘burn-out’.
Toch is het denkbaar dat ook deze laatste ziekten te maken hebben met ingrijpende veranderingen in de cultuur.
Net als bij ‘railway-spine’, een kwaal die na enkele decennia weer helemaal uit de medische boeken verdwenen was.

Als een streep
Laten we ons eens verdiepen in deze merkwaardige treinziekte. We bezitten een fraaie impressie van de hand van de dichter Victor Hugo, die in een brief aan zijn dochter verslag deed van zijn ervaringen bij zijn eerste treinreis: ‘De bloemen aan de rand van de weg zijn geen bloemen meer, maar kleurvlekken of beter gezegd rode of witte strepen. Er zijn geen punten meer, alles wordt een streep: de graanvelden worden lange gele strengen, de klavervelden zijn lange groene staarten. Aan de einder voeren de steden, de kerktorens en de bomen een dans uit en lopen op een krankzinnige wijze door elkaar. Van tijd tot tijd verschijnt bliksemsnel een schim, een silhouet, een spook bij het portier.’

Zoeven went
Het landschap dichtbij schoof veel sneller voorbij dan het landschap veraf, de maan ging zelfs helemaal mee naar huis en het lichaam zat ondertussen stil. Het reizen met de trein leidde tot een totaal nieuwe ervaring van de omgeving. De mensen waren immers gewend het landschap in wandelpas aan zich voorbij te laten trekken.
Deze analyse maakt duidelijk, dat techniek heel bepalend is voor de manier waarop wij beleven en ervaren.
Het vergde dan ook enige tijd om zich deze nieuwe ervaring toe te eigenen.
Na enkele decennia waren de desoriëntatie en de daaruit voortvloeiende treinziektes verdwenen. Er had zich een nieuw evenwicht van de zintuigen ingesteld, ditmaal door inlijving van de trein als voortbewegend medium van waarneming. Het is duidelijk dat zulke stabiliseringprocessen allerminst eenmalig zijn, maar zich steeds weer afspelen als nieuwe technieken hun intrede doen in de samenleving.

Mobiel
Indirect heeft dit voorbeeld alles met ‘tijd’ te maken. De introductie van de trein en later van het autoverkeer heeft een enorme versnelling van het leven met zich meegebracht. Waar een reis van 30 tot 40 km vroeger een dagreis was, kust nu een Amsterdammer op maandagochtend zijn echtgenote om de rest van de week in New York te werken.
Voor de mobiele hedendaagse mens zijn kilometers lastige hindernissen tussen de plaats waar je bent en je bestemming. Hoe minder tijd je eraan spendeert des te beter! De mededeling dat de trein met ongeveer 5 minuten vertraging zal aankomen, levert tegenwoordig hoorbare opwinding en gezucht op. Zeker 30% van de op het perron aanwezige mensen pakt na een dergelijke mededeling het mobieltje om familie, vrienden of collegae van hun onverwachte vertraging op de hoogte brengen.

Zoals het klokje …
Van hieruit is de stap niet groot naar een andere technische uitvinding, die ons leven in hoge mate is gaan beheersen: de klok. De klok werd tegen het einde van de 13e eeuw uitgevonden.
De eerste toepassingen waren te vinden binnen de kloostermuren en de eerste klokken waren dan ook luidklokken. Later kwamen de klokken met een uurwijzer en de minutenwijzer volgde pas in de loop van de 16e eeuw.

Klokkentijd
Bij zo’n uitvinding als die van de klok merk je, dat ook ‘de tijd’ een geschiedenis heeft. Tijd is niet altijd hetzelfde geweest. Voor ons is tijd in hoge mate tot klokkentijd geworden. Als wij elkaar naar de tijd vragen, verwachten we een paar getallen, die precies aangeven ‘hoe laat het is’.
Onze dagen zijn ook in hoge mate gepland. Agenda’s kennen vaak een voorgedrukte dagindeling, gebaseerd op de klokkentijd. De dag begint voor de meeste mensen met de wekker, die op een tevoren ingevoerd tijdstip afloopt. Velen moeten al heel vroeg in de auto stappen of een bepaalde trein halen om op tijd op hun werk te arriveren. Vergaderen gaat niet zonder een tijdstip af te spreken, gecom bineerd met een afspraak over een (tref)punt in de ruimte.

Van ‘eeuwigheid’ naar ‘langer leven’
Een belangrijke verandering in het tijdsbewustzijn is verder de langzaam maar zeker voltrokken breuk tussen tijd en eeuwigheid. Voor onze voorouders van enkele eeuwen geleden was het volstrekt vanzelfsprekend dat de tijd deel uitmaakte van de eeuwigheid. Mensen beleefden hun leven in het hier en nu als een zeer tijdelijk en vergankelijk onderdeel van een eeuwig bestaan.
Dat is alleen al te zien aan de manier waarop men in vroeger eeuwen kerken bouwde. Voor sommige kathedralen gold een bouwtijd die vele generaties omspande. Ieders bijdrage was een kleine, tijdelijke bijdrage aan een project dat de grenzen van het eigen leven overschreed. In onze resultaatgerichte tijd wordt er nauwelijks meer op een vergelijkbare manier over projecten gedacht.
Aan de andere kant valt op hoeveel we er voor over hebben om iemands leven nog een paar maanden of een paar jaar te verlengen. Ook daaraan kun je aflezen hoezeer onze oriëntatie is veranderd. En opvallend genoeg lijkt deze oriëntatieverandering los te staan van de levensbeschouwing van mensen, want ook voor christenen staat het besef van de eeuwigheid vaak ver af van de dagelijkse beleving.

Constant levensritme
De klokkentijd heeft verder een sterke schematisering van het dagritme met zich mee gebracht. Zo is ons dagritme veel minder afhankelijk van de seizoenen. Een werkdag in de winter verschilt niet noemenswaardig van eentje in de zomer. Het enige verschil is vermoedelijk dat je in de winter in het donker van huis gaat en weer in het donker terugkeert.
Door elektrisch licht en verwarming kunnen we ons werk in de winter gewoon voortzetten. Zoals de klokkentijd betrekkelijk abstract is ten opzichte van ons belevingstijd, zo geldt dat ook voor ons - steeds meer op de klokkentijd afgestemdelevensritme. Het wordt steeds onaf hankelijker van de wisseling van seizoenen, de loop van de natuur of van de wisseling van duisternis en daglicht.

Tijd is geld
Dit op de klokkentijd afgestemde levensritme maakt de tijd veel gemakkelijker benutbaar. Doorgaans voorzien we in ons levensonderhoud door onze krachten voor een bepaald aantal meetbare uren te verkopen aan wat wij een werkgever noemen (maar wat volgens een scherpe waarneming van Marx en Engels eigenlijk een werknemer zou moeten heten). Onze kapitalistische economie is ondenkbaar zonder de klokkentijd. Nagenoeg alles is op tijd gebaseerd: beloning van arbeid, productiviteit, jaarrekeningen, etc.. De zinsnede ‘tijd is geld’ is geen beeldspraak of metafoor.
Zonder meetbare tijd en tijdseenheden zou zoiets als onze kapitalistische economie ondenkbaar zijn.

Monniken-werk
Men kan zich in historische zin afvragen hoe het succes van de klokkentijd in Europa verklaard kan worden.
Waarom vond de mechanische klok in de Europa zo’n ingang en sloeg de klok in bijvoorbeeld China niet of nauwelijks aan. De daar ingevoerde klokken werden vooral gezien ‘als curiositeit, als verzamelobject of als speelgoed; een merkbare sociale invloed ging er niet van uit. Er bestond daar kennelijk geen maatschappelijke of politieke behoefte aan deze apparaten’ (J.J.A. Mooij, Tijd en geest, p.113). Blijkbaar bestond zo’n behoefte er in Europa wel. Daarbij zal het een kip/ei-probleem blijven of het opkomende kapitalisme riep om de komst van de klok of andersom.
Wat in ieder geval wel opvalt is de belangrijke rol van kerken en kloosters bij de inburgering van de klokkentijd in Europa. Niet voor niets worden klokken in onze samenleving en cultuur aangetroffen op kerktorens en op de torens van abdijen. Zo is de inburgering van de klokkentijd op zijn minst bevorderd door de dagindeling die bij kloosterordes gebruikelijk was.
Vooral de benedictijnen hebben hierin een voortrekkersrol gespeeld.

Deze bijdrage is een bewerking van een lezing, gehouden op een GSEVcongres in mei 2003 met als thema ‘Tijd, daar ga je’.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief