Jona's onvruchtbare vroomheid
2003-02-28
Waar wij ons over moeten verwonderen, dat is niet eens zozeer het verhaal van die vis, maar dat Jona op het moment dat hij in die vis zit tot de HERE bidt. Dat mag in meer dan één opzicht wonderlijk heten. Want wat een tegenstelling met wat het eerste hoofdstuk over Jona vertelt. Toen weigerde Jona om te bidden. In tegenstelling tot Abraham, die voor Sodom gebeden heeft, bad Jona niet voor Ninevé en vluchtte hij weg van het aangezicht des HEREN. Ook toen de kapitein hem gevraagd had of hij tot zijn God wilde bidden voor hun behoud, bleef het van Jona’s kant akelig stil.- Jaargang 47
- nummer 5
Het is verrassend dat Jona nu wèl doet, wat hij eerst doelbewust verzaakt heeft.
Ook wat Jona zegt in zijn gebed, roept op z’n minst een bepaalde spanning op. Het is alsof we hier een andere Jona ontmoeten dan in het begin (en vervolg) van dit boek. Zo vroom en godvrezend. Het heeft ook iets ironisch hoe Jona bidt. Want Jona wilde toch dood? Dan heeft hij precies bereikt wat hij wilde, nu hij in het dodenrijk is afgedaald. Waarom zou hij dan om redding bidden? En hij was toch op de vlucht voor God? Dan klinkt het vreemd om hem nu ineens te horen spreken over zijn verlangen om Gods heilige tempel nog weer te zien.
Het is inderdaad allemaal wat tegenstrijdig, zoals we Jona opeens in zijn gebed tegenkomen. We moeten maar niet proberen om deze tegenstrijdigheden glad te strijken. Deze spanning hoort bij het ironische van dit boek.
De clou van dit hoofdstuk is namelijk dat Jona zelfs in het dodenrijk niet aan zijn God kàn ontvluchten. In Psalm 139 wordt dat ook letterlijk zo gezegd: Waarheen zou ik gaan voor uw Geest, waarheen vlieden voor uw aangezicht?
Steeg ik ten hemel – Gij zijt daar, of maakte ik het dodenrijk tot mijn sponde – Gij zijt er… Dat is precies wat het boek Jona ons vertelt met het verhaal van die vis. Die grote vis is de verpersoonlijking van het dodenrijk, maar het is God zelf die volledig over hem beschikt. Het klinkt haast laconiek als het Jona-verhaal vertelt dat de HERE een grote vis beschikte om Jona in te slokken, en even later dat de HERE tot de vis sprak om Jona weer uit te spugen. Maar dit is nu bijbelse humor van de bovenste plank.
Zelfs het monster van de dood kan zijn muil alleen maar opensperren als God zelf daarover beschikt. En als God spreekt, dan moet het zijn prooi onmiddellijk prijsgeven. Hoe zou iemand dan ooit kunnen denken dat hij in de dood God in elk geval niet meer zal tegenkomen? Zelfs Jona komt tot de ontdekking dat hij op het absolute dieptepunt van zijn leven eigenlijk alleen nog maar naar God toe kan vluchten. Wij mensen blijken soms tegenstrijdig in elkaar te zitten, dat is ook weer iets van die spiegel die het Jona-verhaal aan ons voorhoudt. Er zijn meer mensen die in confrontatie met de dood alsnog tot God gebeden hebben, al hebben ze hun leven lang dapper beweerd dat ze niets van God moesten hebben of dat ze atheïstisch zijn. Die in de hemel zetelt, lacht; de Here spot met hen (Ps. 2,4). Het boek Jona nodigt zulke dappere mensen uit om ook eens om zichzelf te lachen.
Want vroeg of laat komen ook zij zichzelf en God een keer tegen. Zelfs het dodenrijk verbergt ons niet voor Hem.
Uiteindelijk heeft de voortvluchtige Jona dus toch tot God gebeden.
Vreemd genoeg blijkt Jona’s gebed echter een dankpsalm te zijn, waarin hij achteraf op zijn nood en redding terugkijkt. Waarom doet de schrijver het dan voorkomen alsof Jona dit gebed al in de buik van de vis gebeden heeft? Luther zei al: ‘Jona had het vast niet zo breed in dat afschuwelijke graf, dat hij er ook nog een mooi versje heeft kunnen dichten.’ Maar waarom heeft de schrijver het dan toch op zo’n merkwaardige plaats gezet en niet pas nadat Jona weer door de vis was uitgespuugd? Daar kan ik twee dingen over zeggen. Allereerst heeft dat te maken met het verband tussen de buik van de vis, waarin Jona zich bevindt, en de buik van het dodenrijk, waar deze psalm van spreekt. Die heeft het Jona-verhaal blijkbaar zo dicht mogelijk bij elkaar willen houden, zodat de samenhang ons niet zou ontgaan. In de tweede plaats heeft het ook met de karikatuur te maken, die het boek van Jona tekent.
Het Jona-verhaal is een verhaal met een knipoog. Een cartoon die allerlei gegevens uit de werkelijkheid gebruikt, maar dan tot in het extreme uitvergroot.
Bij deze uitvergroting hoort ook het contrast met Jona’s eerdere vluchtgedrag en doodswens, dat op deze manier ontstaat.
De vroomheid van dit dankgebed past eigenlijk niet in Jona’s mond. Het komt zelfs een beetje ongeloofwaardig over.
Want wat je verwachten zou is niet direct een dankgebed, maar een schuldbelijdenis, een gebed om Gods genade en om vergeving voor Jona’s ongehoorzaamheid.
Maar daar is geen sprake van. U moet het dan ook niet zo lezen alsof Jona in de vis uiteindelijk tot bekering komt. In het vervolg zal blijken dat dit niet het geval is. Jona verandert niet. En toch is dit vrome gebed niet bedoeld als een vorm van schijnheiligheid van de kant van Jona.
Integendeel. Aan Jona’s vroomheid hoeft u niet te twijfelen. De vroomheid van deze psalm is namelijk precies de vroomheid die Jona typeert.
Een vroomheid die zingt van de redding die van de HERE is, maar die tegelijkertijd voor anderen niet tot zegen wil zijn. Het is een vroomheid die voor anderen onvruchtbaar is. De vlijmscherpe karikatuur die het verhaal ons laat zien, is een Jona die er geen enkele moeite mee heeft om in de buik van de vis over Gods goedertierenheid te zingen, maar die dat nooit in de straten van Ninevé zal doen! Jona is God oprecht dankbaar dat Hij zijn leven uit de groeve omhoog heeft getrokken, maar hij weet dat niet in verband te brengen met zijn missie om naar Ninevé te gaan of op z’n minst, als Abraham, voor de redding van Ninevé te pleiten. De wereld is voor Jona echt een buitenwereld.
Die valt volledig buiten zijn horizon. Moet u vanuit dit perspectief eens lezen wat Jona in vers 8 zegt: Zij die nietige afgoden dienen, geven Hem prijs, die hun goedertieren is.
Een uitspraak die je ook in andere psalmen zo kunt tegenkomen, maar in Jona’s mond klinkt het haast cynisch.
Want die mensen die nietige afgoden dienen, zijn in dit bijbelboek toevallig wel die heidense zeelieden en de mensen van Ninevé. En zij zijn het juist die tot bekering komen! Over een karikatuur gesproken! Anders gezegd: hoe een gelovige in al zijn vroomheid voor Gods werk in de wereld onvruchtbaar kan zijn!
Het tweede hoofdstuk eindigt ermee dat Jona op Gods bevel door de vis wordt uitgespuugd. Letterlijk: uitgekotst.
Alsof Jona’s vroomheid zelfs voor dit zeemonster onverteerbaar is! Toch is Jona’s redding uit de vis, hoe onwaardig die ook heeft plaatsgevonden, niets minder dan een opstanding uit de dood.
Hoewel er na drie dagen en drie nachten geen hoop meer is, is de HERE bij machte om een mens op zijn tijd weer uit het dodenrijk te doen herleven.
Want zelfs het monster van de dood is voor God iets waarover Hij beschikken kan. Net als bij de schepping hoeft God maar te spreken en de dood moet zijn prooi weer prijsgeven. Een prachtige demonstratie van de macht van God! De dood mag dan een onverzadigbaar monster zijn, maar er is er één die sterker is.
Jezus zei: Want gelijk Jona drie dagen en drie nachten in de buik van het zeemonster was, zo zal de Zoon des mensen in het hart der aarde zijn, drie dagen en drie nachten (Mat. 12,40).
Een prachtig woord, zeker als je gezien hebt dat die grote vis ook in het Jonaverhaal zelf al voor het dodenrijk staat.
Jona in het hart der zee. De Zoon des mensen in het hart der aarde. Drie dagen en drie nachten, waarna menselijk gesproken alle hoop vervlogen is. Maar ook Jezus kwam terug uit dood.
Sterker, Jezus is dwars door de dood heengegaan. Jona werd weinig verheffend uitgekotst, maar Jezus is souverein en vol majesteit uit de dood opgestaan. Hij heeft het zeemonster verslagen en de redding van de HERE voor alle mensen nabij gebracht. Ook voor hen die nu misschien nog nietige afgoden dienen en God niet als Vader kennen. Jezus is meer dan Jona, Hij verlangt ernaar om ook hen aan Gods goedheid deel te geven. En wij mogen zijn verlangen tot het onze maken.
De wereld mag voor ons geen buitenwereld zijn. Want of het nu om Ninevé of Amsterdam gaat, God heeft een woord voor de wereld.
1. Hoe voorkomt u dat uw vroomheid voor anderen onvruchtbaar is?
2. Over Jona kunt u zich verbazen.
Helpt het Jona-verhaal u om u over Jezus te verwonderen?