Dominee is ook maar een mens ....

2003-02-28
  • Jaargang 47
  • nummer 5
Het was tijdens de tweede ‘ijstijd’ van deze winter. Zo heet dat tegenwoordig als het een weekje gevroren heeft. Er lag goed ijs, dus ik was - in trainingspak - ook maar even gaan schaatsen op het vijvertje vlakbij.
IJspret met kinderen uit de buurt en een enkele volwassene. Dezelfde grappen als in de dagen van Pieter Breughel - met toen misschien meneer pastoor op de smalle ijzers. Een klein uurtje later was het mooi geweest en met de schaatsen in de hand liep ik van het ijs terug naar huis. Een vrouwelijk gemeentelid kruiste mijn weg en riep me toe: ‘Dat had ik wel eens
willen zien, de dominee op de schaats!’

Wat een onzin, dacht ik terug. Ben ik dan zo’n vreemde snijboon dat ik niet eens recht op een schaats zou kunnen staan? Of ben ik zelfs op glad ijs nog ‘de dominee’? Of zou ze het gewoon zeggen om me even te pesten?

Altijd dominee?
Ben je nooit even níet de dominee, denk je dan. Laat ik daar eens mee beginnen. Heitink schrijft in zijn boek ‘Biografie van de dominee’: ‘Predikantschap wás echt een zijnsberoep.
Je was het altijd net als de burgemeester en de dokter’ (p.179).
Kijk je naar de illustratie die het boek van Heitink siert, dan zie je dat ook.
Nota bene weer een schaatsende dominee, maar met dit verschil dat zijn kledij hem op de kansel niet zou misstaan.
Je was het inderdaad altijd. Maar zo is het niet meer, voegt Heitink er aan toe, en ik denk dat hij daarin gelijk heeft. Als predikant ben je gewoon een mens van vlees en bloed met naam en toenaam, een man en vader, een buurman en een vriend en ook nog eens een broeder in de Heer. Alleszins waarschijnlijk dat een predikant die kanten vroeger ook had, maar dat gewone ging soms levenslang schuil achter het masker van het ambt. Zodat het kon gebeuren dat voor de ogen van vrouw en kinderen niet een man en vader, maar de dominee werd begraven.
Consequent, dat wel, want zo had de man ook altijd geleefd. Het zijns-karakter van de dominee zat er vroeger dieper in dan nu. Het lijkt niet helemaal meer van deze tijd als je iemand hoort zeggen dat ‘de dominee’ ook schaatst. En je begrijpt iets van Verbree, die je in zijn boek Eclips tegen zichzelf hoort grommen: ‘Ik voel me geen vastgelopen predikant die hulp zoekt. Ik ben ik, Adrian. Ik wil hulp.
Niet de predikant van Gramsbergen.
Ik wil niet gereduceerd worden tot een functie ...’ (p.55).

Ik ben ik
Het is niet zozeer de grens tussen werk en privé, die ik met het voorgaande op het oog heb. Werk en privé lopen inderdaad bij het predikantswerk door elkaar, zoals dat bij een agrariër of iemand met een eigen zaak ook het geval is. Je krijgt het niet goed gescheiden en soms is dat de charme en op andere momenten belastend. Bij dat laatste denk ik bijvoorbeeld aan eigen vrouw en kinderen, die in drukke tijden gemakkelijk over het randje van je aandacht kieperen.
Maar bij het bovenstaande is het toch anders. Het zit hem inderdaad in dat wonderlijke woordje ‘zijn’. Hoe komt het toch dat ik geen enkele aarzeling heb om te zeggen ‘ik ben christen’ (met alles wat daar bij mij aan ontbreekt), maar dat ik me bij de uitspraak ‘ik ben dominee’ licht ongemakkelijk voelzoals David in het harnas van Saul.
Terwijl ik het werk in de gemeente door de bank genomen van harte doe. Iemand schreef me bij de bevestiging in Bilthoven: ‘Dominee doe je niet, maar dat ben je’. Dat zinnetje gaf me een opgesloten gevoel, en nog steeds. ‘De dominee’het ‘gilde’ zal ik maar zeggen - daar heb ik niet veel mee. Omdat het iets heeft van een onzichtbare toga, die je omgehangen krijgt, voor altijd. Een eigenaardig soort van pars pro toto, waardoor je niet helemaal meer jezelf kunt zijn. Waarbij predikanten vroeger ongetwijfeld het gevoel hadden dat er een beschermend ‘meer’ aan zat, terwijl ik het in 2003 ervaar als een ongemakkelijk ‘minder’.

Jan zegt ....
Moeten we, gelet op de veranderingen in de samenleving gedurende de afgelopen eeuw, misschien eens overwegen of ‘de dominee’ als instituut zijn langste tijd gehad heeft. De naam zelf herinnert al aan een tijd dat het predikantschap notabeler was en een meer publiek karakter had - de weleerwaarde heer, naast burgemeester en arts. Die tijd is gewoon voorbij.
Maar als iemand het heeft over ‘de dominee’, dan komt daar toch altijd (onbedoeld) nog iets mee van oude tijden en dingen die voorbijgaan.
En dan het domineesgedoe, waarmee het eigenlijke gemeentewerk voor de voeten wordt gelopen. Ik denk bij ‘dominee’ nog wel eens terug aan het moment, waarop een vrouw van het tennisclubje in Bilthoven naar me toe kwam met de vraag: ‘Jan zegt, dat je dóminee bent, maar dat is toch niet waar, hè?’ Ik moest er hartelijk om lachen en kon niet anders dan bekennen dat het wél waar was. Maar ik dacht ook: ‘nooit vergeten dat zinnetje, want dit is het beeld van op zijn minst een deel van de buitenwacht’.
De dominee als een man, aan wie je ziet of hoort dat hij niet helemaal van deze wereld is. Ergens toch altijd een vreemde, van wie soms vergoelijkend gezegd wordt: de dominee is ook maar een mens! Even overbodig als veelbetekenend!

Besmet
Ik heb die Bilthovense dame trouwens ook aangeraden om haar beeld van predikanten wat bij te stellen. Dat ook!
Want zo erg als Verbree het meemaakte tijdens zijn korte verblijf in het GPZ is het ook weer niet. Die dacht op een gegeven moment dat één van de bewoners overleden was. Dat bleek een misverstand, want het was de predikant, die langskwam voor een ziekenbezoek en niet de doodgraver.
Verbree werd er bozig en vooral triest van, omdat het christelijk geloof op die manier in de hoek van het belachelijke terecht komt ... ’je leeft niet alleen in je eigen oerconservatieve microkosmos. Je leeft ook in Nederland 1999. Maar die lui niet. Amish zijn het, levende museumstukken’ (p.157). Dat voel ik mee tot in het puntje van mijn tenen en ik prijs me gelukkig dat het onder ons in het nederlands gereformeerde bij lange na zo bar niet is.
Maar het kerkelijk zo ingeburgerde woord ‘dominee’ is door zulke gekkigheid uit verleden en heden wel besmet geraakt en dat geeft voor mij weinig thuisgevoel als ik zo wordt aangesproken. Buiten de gemeente al helemaal niet, maar binnen zou het ook rustig ‘broeder’ of ‘meneer’ mogen zijn. Of gewoon bij de voornaam, zoals Meint van den Berg dat al zei: ‘Ik ben in de gemeente onder mijn broeders en zusters - Meint dus’.

Van ambt naar ...
Twee weken geleden had ik het over Heitink, die ‘de beschermende mantel van het ambt zag wegvallen’. Maar zou het in sommige tijden ook kunnen zijn dat die mantel iets krijgt van het harnas, dat David meer hinderde dan hielp. Zoals in onze tijd, die gekenmerkt wordt door één op één situaties.
Niet dat Heitink het ambt als welomschreven kerntaak ziet wegvallen.
Hij schrijft ergens over de plaats van ambtsdragers in de gemeente: ‘Wil de gemeente er voor bewaard worden om af te wijken van de weg van de navolging, dan doet zij er wijs aan uit haar midden een groep van mensen te kiezen die in brede kring vertrouwen geniet en deze op te dragen de gemeente te bewaren bij de bedoeling van haar Heer .... Het is de roeping van het ambt de gemeente te bewaren bij haar geheim’ (p.273). In het ambt ziet Heitink dus iets blijvends en dat lijkt me nuchter. Het is bovendien open geformuleerd, zodat de omschrijving ruim genoeg is om behal ve de predikant ook de ouderling en diaken onderdak te geven. En wie weet nog anderen, als dat vruchtbaar zou kunnen zijn voor een christelijke gemeente in andere tijden.
Ik zou het ambt als welomschreven kerntaak in de gemeente ook niet graag kwijt zijn. Van het pastorale werk zou niet veel komen zonder één of andere structuur. Zoals ook Woord, gebed en kerkdienst vragen om een (vaste) plaats en een tijd in het leven.

Kerk zonder muren
Maar toevallig zal de door Heitink gesignaleerde verschuiving van het ambt naar de persoon niet zijn. Echt iets uit de laatste 25 jaar, want veel meer dan vroeger wordt de vraag gesteld: wie is deze predikant (of ouderling) als mens en als gelovige. Heitink herkent het in de profielschetsen van gemeenten, die een predikant zoeken. De gezochte predikant moet inspirerend en communicatief zijn en ook aanstekelijk kunnen werken richting jongeren, en zo voort. Maar als je het zo zegt heb je het wel over typisch persoonlijke kwaliteiten, die blijkbaar erg belangrijk zijn geworden voor het werk van predikant. Heitink laat zien dat deze verschuiving richting het persoonlijke samenhangt met ontwikkelingen in de samenleving. Het heeft te maken met een doorgaande individualisering, waarbij kerk en ambt als instituut op de achtergrond zijn geraakt. Over het één en ander kun je gaan zitten kniezen, maar het lijkt me vruchtbaarder om na te gaan waar we onder déze omstandigheden winst voor het Koninkrijk zouden kunnen boeken.
Zodat we de personalisering van het ambt mogen begroeten als een inspeling van de Geest op de tijdgeest.
Geeft bijvoorbeeld de eenzaamheidtoch het bijproduct van de individualisering - nieuwe kansen op persoonlijke ontmoetingen. Ontmoetingen met wellicht in een later stadium de mogelijkheid om mensen uit te nodigen in de kring van de gemeente. En wat hier ineens een wat missionaire tint krijgt, geldt niet minder voor het pastorale.

Persoonlijker
Ik heb het werk in de gemeente de laatste decennia steeds persoonlijker en minder ambtelijk-formeel zien worden.
En dat in alle onderdelen van het werk. Het vergaderwerk bijvoorbeeld.
Geen ‘broeder Siebe, u beweert nu wel ...’, maar gewoon ‘Peter, kun je dat nog wat toelichten’. Niet langer de goed bedoelde, maar formele brief richting de randkerkelijke, die ongetwijfeld gelezen wordt als een ultimatum.
Meer omzien en gebed voor elkaar.
Ook in Amersfoort heb ik het gevoel, dat we samen als ambtsdragers, verbonden in geloof en onderling betrokken, de gemeente dienen. En ook regionaal en landelijk zie ik die insteek veld winnen en wie weet zullen we nog eens bij het lezen van oude notulen van regio-vergaderingen zeggen: o ja, ‘credentie-brief’ en ‘wettig vertegenwoordigd’ o ja, zo ging dat vroeger.

Van hart tot hart
Het meest vruchtbaar vind ik de personalisering in het pastorale werk.
Ook daar ontbreekt de notie van het ambt niet - want ook het pastorale werk verdient in de gemeente een welomschreven plaats. Het ambt ervaar ik dan vooral als voorwaarde-scheppend en gespreks-openend. Maar eenmaal binnen bij de mensen ben ik het liefste ‘ik’, een mens van vlees en bloed, geloofsgenoot, bezig voor het Koninkrijk en de ene Heer. Om zo de ander te ontmoeten op ooghoogte, van hart tot hart. Ergens als een afspiegeling van de Heer zelf, die mens werd onder de mensen. Met meteen natuurlijk het grote verschil, dat een predikant of ouderling niet van grote hoogte komt, maar altijd al mens onder de mensen is geweest. Als schaap geboren, om zo maar te zeggen. De beste pastorale bezoeken waren voor mij zulke ontmoetingen, ontdaan van het formele, persoonlijk, de ene mens ontmoet de ander - hun beider maker is de Heer. ‘U’ en ‘dominee’ is dan eigenlijk zand in de motor. Zo’n ontmoeting kan zijn uitlopers hebben richting gebed en evangelie-lezing. Goed om in toenemende mate te merken dat ik niet altijd degene ben die bidt of leest, maar soms ook de ander. Net zoals je soms na een kerkdienst ziet hoe ergens in een hoek de één met de ander bidt.
Met dank aan de evangelischen, zullen we dan maar zeggen.

‘Het tegenover’
En waar zit dan dat ‘tegenover’, een woord dat al snel opduikt als het gaat over ambt en ambtsdrager. Tegenover.
Ik vond het apart om te merken dat een woord, dat toch een horizontale trek heeft lange tijd zo’n verticale bijklank heeft gehad. In de man-vrouw verhouding al. Eeuwenlang is dat ‘hulpe tegenover’ in het verticale getrokken.
In een samenleving die ook veel meer dacht in ‘boven’ en ‘onder’, dat is waar. Vergelijkbaar had ook het
kerkelijk-ambtelijk ‘tegenover’ iets van boven en onder. In onze veranderde samenleving is dat verticale gaandeweg uitgesleten. In de man-vrouw relatie, maar ook in de gemeente.
De winst is dat het ‘tegenover’ meer in de sfeer van ontmoeting is komen te liggen. Het is het tegenover, waarin je de ander in de eerste plaats als naaste ontmoet - toch een bijbelse notie van formaat. Het is wonderlijk om te merken dat tal van andere bijbelse wenken hierbij zo aansluiten. Jezus woord bijvoorbeeld, dat Hij niet kwam om te heersen, maar om te dienen. Of Paulus met zijn ‘dient elkaar’, En sowieso al die ‘elkaar’ woorden, waar de jong gestorven hoogleraar Versteeg nog eens zo’n mooi boekje over schreef.
En de vraag van Paulus: wat oordeelt u een andermans knecht. En had Jezus het zelf al niet gezegd: oordeelt niet, opdat u niet geoordeeld wordt. Zulke schriftgedeelten houden je bij de les, dat je de ander ontmoet als broeder en zuster of ook als net zo’n knecht als jij - óók van die Ander. Pastoraat op ooghoogte, zodat je dat ‘tegenover’ niet gaat verwarren met boven en onder. Gezondene dat wel, maar de beweging van zending is er één die zich in het horizontale afspeelt, over het platte vlak van de aarde (Handelingen 1:8). En als er dan ontmoetingen komen, pastoraal of missionair getint, dan is dat voor het aangezicht van God. Dat is dan ook het enige verticale in de ontmoeting.
Zegenrijk, zoals psalm 133 het bezingt.

En verder
De gedachte van ontmoeting en het persoonlijke daarvan, dat je de ander tot een naaste wordt, dat zijn noties, die me in het gemeentelijke (pastorale) werk helpen. Weinig formeel dus en weinig als ‘de dominee’. Dat vraagt wel nieuwe liefde en openheid, om bijvoorbeeld voorbij te komen aan onhebbelijkheden in het persoonlijke, waar je door de personalisering van het ambt eerder tegen aanloopt dan vroeger. Een andere kant aan deze ontwikkeling van personalisering is de grotere aandacht voor leiderschap, een trek die vanuit de evangelische wereld overwaait. Maar dat is misschien iets voor een andere keer.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief