Jaloers maken

2004-08-20
  • Jaargang 48
  • nummer 16
Een vriend van mij, de ook onder ons bekende Marc de Klijn, een Messiasbelijdende Jood uit Kampen die tevens kunstschilder is, heeft een boek geschreven, 'Herrijzen zulle de doden' geheten. Daarin biedt hij door middel van een geschreven tekst en een groot aantal schilderijen (en plastieken van zijn vrouw) een persoonlijke verwerking van de holocaust, waaraan hij wel persoonlijk maar niet in zijn familie ontsnapt is.

Ik ga dit boek nu niet bespreken, maar pak er een thema uit op. Ergens in het boek maakt De Klijn de christelijke kerken het verwijt dat ze zo weinig hebben gedaan om de Joden op ons geloof jaloers te maken. Hij maakt dit verwijt als christenjood. Ik wil op deze aantijging reageren. Is ze waar? En hoe kunnen we het in de toekomst dan anders doen? Beter?

God zelf is het die jaloers maakt
Het eerste dan dat ik zou willen opmerken is dat het bij dit jaloers maken om een werkzaamheid van God zelf gaat. Het is de Here God die de kerk gebruikt om de Joden jaloers te maken. Dat valt strikt genomen niet af te leiden uit de tekst zoals die hierboven uitgeschreven staat. Die zegt niet meer dan: ‘Door hun val (dat wil zeggen: door het schuldig verwerpen van het evangelie door de Joden) is het heil tot de heidenen gekomen, om hen tot naijver op te wekken’. Wie dat dan doet of moet doen, wordt hier niet gezegd. Maar Paulus grijpt met de woorden van deze tekst terug op een uitlating van Mozes uit Deuteronomium 32, die hij al eerder in het gedeelte van Romeinen 9–11 heeft aangehaald en waarin daarover wél uitsluitsel gegeven wordt. In Romeinen 10:19 staat dat de Here God door Mozes zegt: ‘Ik zal u naijverig maken op wat geen volk is, toornig op een onverstandig volk’. Hier is het zonder meer duidelijk dat het de Here God is die zelf dat jaloers maken ter hand neemt.

Kaïn en Abel
Hoe God dat dan doet? Laat ik het met een voorbeeld uit het begin van de bijbel duidelijk maken. Ik denk aan het verhaal van Kaïn en Abel in Genesis 4. God ziet Abel en zijn offer aan, maar Kaïn en zijn offer ziet Hij niet aan, lezen we daar. God kijkt naar de mindere Abel, terwijl de meer op de voorgrond tredende Kaïn die denkt dat alle aandacht voor hem is gepasseerd wordt. Kaïn wordt daar boos om. Hij is jaloers op zijn broer naar wie de gunst van God uitgaat.
Verwerpt God Kaïn? Nee, Hij prikkelt hem. ‘Kan jij het hebben dat Ik met volle aandacht naar je mindere broer sta te kijken?’ Kaïn was in zijn opgroei een trotse man geworden in wiens ogen Abel lucht was. Dan straft de Here die trots af door middel van de aandacht die Hij aan Abel geeft.
Op dezelfde manier zal volgens Mozes de Here God het trotse Israël afstraffen door met de boodschap van zijn liefde en van zijn verbond naar de niet-geachte heidenen te gaan, naar volkeren die Israël bepaald niet zag zitten. En het is dit handelen van God dat Paulus in zijn dagen werkelijkheid ziet worden. En zo kan hij zeggen wat hij in deze tekst schrijft dat door het ongeloof van de Joden het heil naar de heidenen gegaan is, met het nevendoel dat langs die weg Israël alsnog tot jaloersheid wordt gebracht.
Dat de Joden als het ware zouden gaan zeggen: ‘Dat laten we niet op ons zitten’, en alsnog zouden gaan geloven. Dat toornig worden (waar Mozes het over heeft en wat bij Kaïn zo’n verschrikkelijke uitwerking heeft) zou zo een positieve betekenis krijgen.
Zoals de Here God dat trouwens ook bedoelde, ook bij Kaïn wel.

Het aandeel van de kerk
Maar hebben wij, heeft de kerk zelf hierin nu ook nog een taak? Of staan wij hier helemaal buiten? Het is waar, de kerk is in dit handelen van God voorwerp, geen onderwerp. God gebruikt de kerk ergens voor. Maar de vraag kan gesteld worden of de kerk zich hiervoor ook láát gebruiken. In dit proces van jaloers maken. Geen onbelangrijke vraag, ook voor de kerk van heden niet. Wereldwijd en geschiedenislang is er namelijk van God uit een beweging gaande die op het lagere, op het ongeachte gericht is.
Daar maakt waar het Schriftwoord hierboven het over heeft deel van uit.
Laat de kerk, laten wij ons in die beweging meenemen? Weg van het hogere, naar het lagere? U zult zeggen: ‘Ja, maar die beweging die u noemt, die is toch bij de kerk tot stilstand gekomen? Zíj was toch tegenover de Joden het niet-volk? Het onverstandige volk?’ Ja, dat was tóen zo, in het begin. Maar de vraag is of het daarbij ook blijft. Hier moet ik ons waarschuwen. Zoals het joodse volk tegenover het evangelie trots geworden is, zo kan dat met de kerk ook gaan. En dan herhaalt zich aan de kerk wat hier van de Joden gezegd wordt, dat als zij het evangelie verwerpt God de kandelaar van zijn Woord bij haar weghaalt en de kerk verlaat om het verderop te gaan zoeken.
Want niet alleen alle belóften van God aan Israël zijn op de kerk overgegaan (op de kerk die uit Joden en niet-Joden bestaat, zeg ik er maar bij, anders houdt men mij nog voor een aanhanger van de vervangingsgedachte), maar ook alle dreígingen. En dus kan God vandaag om de kérk jaloers te maken naar (opnieuw) het niet-volk gaan, naar de onwetenden en de ongeachten daar ergens in de laagte. We maken dan de zaak waarover het in deze tekst gaat wat los van het oude conflict tussen de synagoge en de kerk en we beseffen dat de actualiteit van wat Paulus hier zegt de hele geschiedenis door met de kerk meereist. Ook binnen de christenheid zelf. Zelfs in het Oude Testament horen we al van de jaloersheid van Efraïm toen bij de overgang van de richterentijd naar de era van David de Jozefstammen hun plaats moesten afstaan aan Juda (Jesaja 11:13). Ook toen al strafte de Here God de trots van Efraïm af door de verheffing van de destijds ongeachte stam van Juda waaruit David voortkwam. Jammer trouwens dat Juda die bevoorrechte plaats niet altijd goed gebruikt heeft!
Daar spreekt de genoemde profetische passage ook over. Die beweging dus van God uit waar ik het over had is niet te beperken tot de tijd van Paulus, die is van een veel wijdere omvang. En de vraag is inderdaad of wij in die beweging meegaan.

De uittredende kerk
Zien wíj het mindere zitten? Het ongeachte en het onwetende? Ja, mogen we zeggen, daar is in de geschiedenis niet helemaal niets van terecht gekomen.
Te weinig, natuurlijk. Altijd te weinig. Maar toch. Ik denk aan de zending. Dat de kerk met het evangelie is uitgegaan naar de volken, vanuit de gedachte dat ze de rijkdom aan genade die ze van God ontvangen had niet voor zichzelf mocht houden.
Dat God met zijn evangelie de laagte in wil. Toen grote delen van de kerk trots en vadsig en verwereldlijkt geworden waren, toen zijn er van de gelovige minderheden daarbinnen prachtige zendingsinitiatieven uitgegaan.
En zo gaat het nog. En laat ik dan wat die zendings- of evangelisatieactiviteit betreft eens niet naar voren brengen wat uit ons eigen midden gedaan is. Laat ik het werk eens noemen van rooms-katholieke paters, wat die voor de melaatsen in de wereld gedaan hebben. Of het werk van ds. Visser van de Paulus-kerk in Rotterdam voor de verslaafden of van het Leger des Heils in de hoofdstad voor alle aan lager wal geraakten.
En vooruit, wat onze dominee Strating met zijn team voor de prostituées van Den Haag doet wil ik dan toch ook noemen. ‘Ja (zegt u), maar dat zijn toch geen dingen waar anderen jaloers op worden? Denkt u nu echt, dat het effect hiervan op de Joden en op de afvallige hoofdstroom van de kerk is dat men zich erdoor tot naijver laat wekken?’ Ja, toch wel!, is mijn antwoord. Deze uitwaartse belangstelling, waardoor bijvoorbeeld ook de bijbel wereldwijd in allerlei talen verspreid is en wordt, wat geleid heeft tot geloof en tot de bereidheid van die gelovigen om ook zelf weer anderen tot het geloof uit te nodigen – ik durf te zeggen dat elk mens die het om de eer van God gaat (en daar zie ik de godsdienstige Joden zeker op aan!) daardoor zeer diep geraakt kan worden. De Joden zullen moeten toegeven (en sommigen doen dat ook wel) dat hun synagoge daarvoor te gesloten is.

Noot van de redactie: in Opbouw 7 van dit jaar is al eerder aandacht besteed aan het boek van Marc de Klijn, met een schilderij uit het boek op de voorkant en een korte toelichting op pagina 2.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief