Half begrepen schatten
2003-03-14
Ergens in de jaren tachtig verscheen het boek van rabbijn Kushner over God en het lijden. Tijdens een bespreking maakte iemand terloops een opmerking die achteraf gezien heel vormend voor mij is geweest: ‘We moeten meer oog krijgen voor de plaats van Christus in het lijden.’ Heeft Christus daar dan een plaats in, vroeg ik mij af, en hoe dan en waarom weet ik dat niet? Sindsdien ben ik gespitst op de vraag: hoe heeft Jezus hier een plaats in? En vreemd genoeg kwamen de antwoorden daarop nogal eens niet uit onze eigen traditie.- Jaargang 47
- nummer 6
Trend en nood.
Steeds vaker gaat het over God en steeds minder over Jezus. Ik herken dat uit mijn eigen leven en uit het gemeenteleven. Deels als trend (we gaan mee in zo’n ontwikkeling), deels als nood (zeg mij dan toch welke plaats Hij heeft!). Ik noem een aantal punten.
a) Scherpte.
De scherpte en de diepte van het evangelie is moeilijker te ‘verkopen’. Van de Knecht wordt in Jesaja gezegd dat Hij zal zijn tot een puntige pijl. Hij is gekomen, niet om vrede te brengen maar het zwaard. Het evangelie maakt scheiding tussen mensen en dat is haast niet meer te verteren voor velen.
Hiermee hangt samen de enorme overgevoeligheid in de gemeente voor alles wat met de verlorenheid te maken heeft. Een meditatie in een bejaardenhuis over het geloof in Jezus als enige weg tot behoud mag op kritiek rekenen.
We weten geen weg meer met de nood van kinderen die niet meer geloven: wie spreekt hierin voor ons een woord van troost?!
b) Zonde en genade.
Zonde en genade spelen minder een prominente rol in de vroomheid van alle dag. Voor het eerst begon ik dat te merken via de innerlijke vervreemding van de woorden van het oude avondmaalsformulier. Op zich ben ik ervoor dat oude woorden hertaald worden maar hier is meer aan de hand.
Met name het geheel van de zelfbeproeving en de weerhouding van het avondmaal stuit op veel moeite.
Trouwens, rond heel de avondmaalsviering is er verlegenheid. Zonde is een psychologisch ingewikkeld probleem geworden, een woord dat allerlei negatieve associaties uit het verleden oproept. Tegelijk - en dat is opmerkelijk - groeit het probleem van de geloofszekerheid. De vraag naar de zekerheid van mijn behoud krijgt, gekoppeld aan twijfel in het algemeen, een sterk ondermijnende invloed.
c) Kruisdragen.
Het volgen van Jezus is meer op gemak gericht dan op heiliging. Zaken als zelfverloochening en kruisdragen achter Christus aan spelen zeker geen vooraanstaande rol in de praktijk van het geloofsleven. Mensen raken verstrikt in het eigenbelang en het is moeilijk om dan nog ruimte te geven aan of te vragen voor de bevrijding daarvan door de belangen van Christus en Zijn Koninkrijk voorop te stellen. Het leven lijkt steeds meer eindig te worden.
Het eeuwig Koninkrijk van Christus staat heel ver van onze beleving vandaan.
Er is zoveel aversie tegen de uitspraak ‘hier beneden is het niet’ ontstaan dat we in het tegenovergestelde belanden: ‘hier beneden moet het dan dus zijn’. Het is erg moeilijk om zo te leven dat de komst van Jezus een plaats kan krijgen in de keuzen van elke dag.
Hulp van buiten
Een trend en een nood, zei ik. In beide herken ik ook mijzelf. Waar hoor ik prikkelende opmerkingen die mij hierin helpen? Waar lees ik woorden die de warmte oproepen: het gaat hier weer over Hem! Voor mij zijn die woorden steeds weer gekomen uit, wat ik maar even noem: puriteins-evangelische hoek.
Ik huiver bij de soms zo ongeestelijke weerstand daartegen onder ons. Zit hier niet meer in dan kritiek op vormen?
Ik heb het niet over een je uitleveren aan een andere traditie. Overal is wel wat. Maar het gereformeerde is versmald heden ten dage.
Uiteengevallen in allerlei beddingen.
En de ware zachtmoedigheid is open te staan voor de stem van de Herder, ook al komt die uit een hoek waar je normaal niet op zou letten.
Gun ons tijd
Soms zou ik bij de Here voor ons willen pleiten: Here, maak het mogelijk dat we de schatten van Christus een tijdje half-begrepen koesteren totdat ze weer ontdekt gaan worden. Gun ons de tijd om nog een tijdje orthodox te blijven zodat we Zijn evangelie wel met ons meedragen maar er (nog) weinig mee doen. In afwachting van betere tijden. Hoe zouden we anders staande kunnen blijven? We zijn immers klein! Amos 7:2,5