Deur
2003-03-14
- Jaargang 47
- nummer 6
| Ik ben de deur; als iemand door Mij binnenkomt zal hij behouden worden (Johannes 10:9). |
Johannes 10 gaat over de Goede Herder, maar het lijkt alsof in het bovenstaande vers het beeld verspringt.
Want opeens gaat het over Jezus als de deur. Maar wie iets meer bekend is met de oud-oosterse schaapskooi, weet dat hier - in het hart van de tekst - niet een andere beeldspraak gekozen is, maar juist wordt ingezoomd op een heel belangrijke functie van de herder.
U moet zo’n schaapskooi voorstellen als een ruwe omheining waar de schapen iedere dag tegen de avond worden binnengevoerd. Bij de opening staat de herder, hij kent zijn schapen allemaal bij name. Zij lopen langs hem binnen, zij herkennen zijn stem en voelen zich veilig. Hij telt tot ze allen binnen zijn. En dan komt het beeld van de deur. Want dan legt hijzelf zich languit neer in de opening, de enige kwetsbare plek, waar van buitenaf gemakkelijk een wolf of een veedief kan binnenkomen. Maar wie dat wil moet wel letterlijk over zijn (dead) body. En ook omgekeerd: als een schaap er weer uit wil, de donkere nacht in, dan vindt hij daar eerst de herder, die waakt en beschermt.
Dat alles zit in het beeld van de deur.
Het beschrijft van die ene Goede Herder een kerneigenschap. Ik ben de deur, zegt Jezus. Ik lig in de opening, in de uitgang en de ingang. En dan laat Hij daarop volgen: wie door Mij binnenkomt, zal behouden worden.
Door Jezus hebben wij toegang tot de Vader en tot eeuwig leven - 'Niemand komt tot de Vader dan door Mij'.
Alles gaat alleen via Jezus: vergeving, zekerheid van eeuwig leven, hoop en geborgenheid. Als we in geloof leven en sterven ligt in Christus onze vrede en mogen we dankzij die Deur binnengaan en thuiskomen bij God. In dit anders zo gesloten bestaan zit een Deur!
Fragment uit de toespraak van Wim Rietkerk bij de begrafenis van mevr. A.M. Rookmaaker op 15 februari in Eck en Wiel.