Die nacht

2004-09-03
  • Jaargang 48
  • nummer 17
Het zoveelste schoolkamp.
In de jaren dat ik werk is het een gewoonte. En een heel aardige zelfs.
We zijn als docenten onder elkaar, en leerlingen zijn altijd anders.
Meestal leuker en vaak laten leerlingen talenten zien die je anders niet ziet. Ook dit jaar strijken we met de hele club neer op een camping waar we al zeven jaar meer dan welkom zijn. Aardige campingbaas.
Zo’n kamp heeft een tijdsduur van drie dagen, maar omdat de nachten doorgeleefd worden, voelt het als een week.
Ook dit kamp.
En in de nacht ontremmen er nogal eens wat dames.
Uitgeput door gebrek aan slaap en kwetsbaar door een iets te hoog promillage alcohol. De illegaal meegesmokkelde breezers doen hun verwoestende werk in stilte.
Koppel daaraan wat heimweegevoelens en enige heftige groepsreactie aan het eind van een schooljaar en er is altijd wel wat vuurwerk te verwachten in de nacht.
Ook deze nacht lijkt daar niet aan te ontkomen.
Als ik terugloop van het feestzaaltje naar de tenten en caravans komt een verontruste Karin me tegemoet.
Alleen in een T-shirtje en spijkerbroek.
Het is 00.30 uur en erg koud. Ze is zestien jaar en licht in paniek.
Ze is bezweet, licht aangeschoten en zegt: 'Jannie ligt te flippen op de grond voor de caravan. En ze huilt heel erg.'

Ik hoor het aan en zie even later onze Jannie in het schemerdonker tussen de bierflesdoppen, de pelpinda’s en de troep opgerold als een klein bang mensje. Een soort slachtoffer van Pompeï, overvallen door de lavastroom.
Maar dan nog levend.
Ik vraag haar wat er is, en of ze overeind wil komen.
Iemand stelt voor dat Jannie en ik de lege donkere caravan ingaan om te praten.
Ik pieker er niet over.
In het donker in een lege caravan, met een meisje dat huilt, zucht en kreungeluiden maakt.
Ik wil haar in beweging krijgen, letterlijk en figuurlijk.
Als ik haar redelijk forse lijf omhoog heb, kan ik een arm om haar heen slaan en weer contact maken. Ik vraag of ze even met me wil lopen en me wil vertellen waarom ze zo verdrietig is.
Ze stemt toe.
We lopen daarna een half uurtje over de verlichte paden rondom ons kampementje en er komt veel verdriet, pijn en ellende uit.
Als ik haar zover heb dat ze tot rust is, draag ik haar over aan de slaapgenoten, die haar meenemen naar het was- en plashok en haar naar bed brengen.

Een week later zijn we op school en dan komen er twee leerlingen uit de klas naar me toe.
'Ze zeggen dat je Jannie en een andere leerling hebt aangerand op de camping. Maar wij weten dat het niet zo is hoor!!' Ik sta perplex.
Onthutst.
En voel me boos gekwetst.
'Hmmm. Waarom geloven jullie het niet?' 'Jannie zegt dat jij zoiets niet deed en wij geloven haar; maar…' Stilte...
'Karin zei dat je het met haar ook probeerde.
Je trok haar tegen je aan in de nacht terwijl ze het ook niet wilde.' Ik denk na.
Opeens realiseer ik me de 200 meter door de nacht.
Het bibberkoude paniekerige kind in haar T-shirt.
Ja, vaderlijk trok ik haar tegen me aan en sommeerde bij de caravan dat ze iets warms aan moest trekken.

Een uur later krijg ik de klas binnen.
Ze nemen de spanning voelbaar mee.
Ik heb de twee verklikkers moeten beloven dat ik hun namen niet noem en niets verraad.
En daar sta ik in de klas.
Voor de klas.
En ik voel me zo kwetsbaar.
Zo beschadigd.
Zo ongemakkelijk, dat ik er wel van huilen kan.

--wordt vervolgd---

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief