Knabbelen aan de randen van de bijbel

2003-03-28
  • Jaargang 47
  • nummer 7
Professor Van Bruggen heeft in een interview in het blad TERDEGE stoom afgeblazen over de schriftkritische tendensen die hij in de gereformeerde oecumene opmerkt. Hij hekelt het knabbelen aan de randen van de bijbel.
Omdat ook De Jong wel eens gesproken heeft over ‘een rand van onzekerheid’ die er volgens hem aan de Heilige Schrift zit, voelt hij zich aangesproken en reageert hij op deze hartenkreet.

Hebben we vandaag niet iets beters te doen, vraagt Van Bruggen zich af.
Ik ben dat wel met hem eens en daarom zijn er van mij uit het naaste verleden ook geen kritische geluiden meer gehoord. Ik ben daar al enige tijd mee opgehouden vanuit de gedachte dat ik over de bijbel liever positieve dingen zeg. Vooral gezien de achteruithollende kennis van de bijbel lijkt mij dat een logische stap, want het is onzinnig kritische opmerkingen te maken over een geschrift dat niet meer bekend is. We hebben vandaag inderdaad iets beters te doen.

Jona
Toch is het niet zo dat kritiek aan de randen van de Schrift noodzakelijk ingegeven wordt door de zucht om de bijbel aan te passen aan zogeheten moderne inzichten of aan de geringe neiging van de mens van deze tijd om in wonderen te geloven. Over het boek Jona schrijft Van Bruggen: ‘Waarom zouden we de passage over de vis symbolisch moeten duiden? Moet God eerst aan mij verantwoording afleggen hoe Hij dat gedaan heeft voor ik het geloof? Dat is een houding die gereformeerde mensen niet past’ Van harte mee eens. Van mij doet de uitspraak de ronde dat als het over de almacht van de Here gaat ik het onvoorwaardelijk zou geloven als de bijbel me vertelde dat niet het zeemonster Jona maar Jona het zeemonster had opgeslokt. Een overdreven uitspraak natuurlijk, maar toch met een duidelijke strekking. Voor mij en anderen onder ons is niet het wonder het probleem. Wel de vraag: verplicht de bijbel ons om in het verhaal over Jona in het wonder te geloven? En: geeft het bijbelverhaal zelf geen aanleiding om in een andere richting te denken? In het boekje Jona (om daar nu maar even bij te blijven) valt mij, in onderscheiding van andere bijbelboeken, de wonderdichtheid op. Het feit dus dat in het korte bestek van enkele hoofdstukken een stuk of vijf wonderen verteld worden. Niet dat het onmogelijk is dat ze allemaal zo gebeurd zijn, maar is het ook waarschijnlijk?
Gaat de Here God zo met zijn profeten om? Regeert Hij zo de werkelijkheid van zijn wereld?

Het kan wat lijen
Zelf heb ik altijd een slag om de arm gehouden en gezegd dat je nooit moet uitsluiten dat de Schrift het letterlijk zo bedoelt als het er staat. Maar dat dit niet betekent dat je je voor andere opties afsluit als daar aanleiding toe is. Het ging me daarbij vooral om een discussieruimte, zodat we niet onmiddellijk bij elk punt de vraag van geloof of ongeloof te berde hoefden te brengen.
Het kan wat lijen. Als Van Bruggen voorstelt om te zeggen: ‘God heeft Jona de profeet gezonden. Hoe het precies met die vis zit weet ik niet, maar niets is voor de Here te wonderlijk’, dan is mijn reactie: Bravo! Ik had het zelf kunnen schrijven. Maar de tendens van Van Bruggens interview is dat hij wél weet hoe het precies met die vis zit. Exact namelijk zoals het beschreven staat. Híj had dit m.i. niet kunnen schrijven. Maar toch ben ik blij dat hij het doet. Ik hou wel van wat inconsequentie bij dingen die te moeilijk voor ons zijn.

Herkenning
Van Bruggen zou Van Bruggen niet zijn als hij niet ook een paar juwelen van opmerkingen door zijn verhaal heen gestrooid had. Als hij het bijvoorbeeld heeft over ‘aanzien des persoons’ onder theologen. Hij schrijft: ‘Het is niet zo moeilijk om kritisch over Kuitert en Den Heyer te schrijven, maar gaat het over mensen uit eigen kring, dan zie je de toon ineens veranderen’.
Of, over het met alle geweld willen overkomen bij de buitenwacht: ‘Aan alle kanten, ook in vrijgemaakte kring, is een soort evangelisatiedwang ontstaan.
Met daarbij een zekere schaamte, gepaard aan een overdreven activisme, als er geen mensen tot geloof komen’. De lezer zal van mij wel willen geloven dat ik dit herken. Ook als Van Bruggen waarschuwt tegen het slordig omgaan met het auteurschap van bijbelboeken vindt hij mij aan zijn kant. Ik heb het ook altijd vreemd en onwaarschijnlijk gevonden dat brieven die onterecht op naam van Paulus’ naam zijn gezet de kritische zeef van de gemeente gepasseerd zouden zijn. Alsof in het woord pseudepigrafie niet het woord pseudos, ‘leugen’, verborgen zit.

Speelruimte
Maar kijkend naar het geheel van zijn artikel had ik hem graag wat genuanceerder willen zien schrijven.
Waarschuwen is goed, maar het moet niet in alarmeren ontaarden. Ik denk dat jonge bijbelgeleerden, ook als ze gelovig zijn, wel eens door een fase van kritiek heen moeten. Hun liefde tot de Schrift willen ze afgrenzen tegen het ‘alles voor zoete koek slikken’. Ik denk dat de Schrift ons deze speelruimte wel gunt. Ouder wordend ga je vanzelf het betrekkelijke van wat je in je kritische houding denkt gevonden ’‘geschikt lezen van de bijbel’ (waar ds C. Vonk het altijd over had) als residu van die kritische benadering overblijven!
Ook in die zin dat je de bijbel niet overvraagt. Dat je de bijbel leest zoals die zichzelf geeft (zoals Van Bruggen zegt). Want Van Bruggen heeft gelijk als hij zegt dat wij op onze eigendommen vaak zuiniger zijn dan op Gods eigen Woord. Mensen die, als het over de bijbel gaat, de gedachte van letterlijke inspiratie ver van zich werpen, passen die leer zonder schroom op hun eigen geschriften toe en schreeuwen moord en brand als iemand maar met een kritisch-vragende vinger naar hun uitlatingen wijst.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief