Niet ieder woord is wet

2004-09-17
  • Jaargang 48
  • nummer 18
Een nieuwe benadering in echtscheiding en hertrouwen! Onder die vlag verscheen in 2002 een vrijgemaakt synode-rapport over genoemde thematiek.
Interessant is de vraag of de omgang met de bijbelse gegevens in het rapport ook iets vernieuwends te zien geeft, misschien zelfs breder bruikbaar.

Want het moet natuurlijk gevolgen hebben voor de leeswijze van de Schrift, als in het GKV-rapport de twee zogenaamde echtscheidingsgronden (echtbreuk en kwaadwillige verlating) niet langer het scharnier van denken zijn? Tot dan toe was dat wel de geijkte aanpak.

Heel de Schrift
De samenstellers van het rapport vinden deze benadering te smal, omdat niet alleen de directe aanwijzingen en geboden richtinggevend zijn, maar heel de breedte van wet, profetie en wijsheid.
De vraag is dan wel, of je bij zo’n bijbelbrede benadering door de bomen het bos nog wel ziet. Het rapport gaat om die reden terug naar de basis onder de christelijke levenswandel met noties als ‘gaan in de navolging van Christus’ en ‘leven in de stijl van het Koninkrijk’. Dat centrale van ons geloof stempelt vervolgens de bezinning op echtscheiding en hertrouwen.
Het lijkt me een veelbelovende benadering, evangelisch diep en praktisch breed.
En hoe gaat het dan verder met de concrete aanwijzingen in Oude en Nieuwe Testament - zoals de teksten, die voorheen werden uitgewerkt tot echtscheidingsgronden? In het rapport wordt voorgesteld om deze woorden uit Mattheus 5/19 en 1 Corinthe 7 ‘illustratief’ te lezen als ‘voorbeelden van een wijze van werken’ (p.44). Dat is inderdaad een nieuwe benadering, ook in de omgang met de Schrift.

Onbewuste keuze
Opvallend eigenlijk, dat in de kerkelijke praktijk zulke praktische aanwijzingen - vaak uit het slot van de brieven van Paulus - bij voorbaat in het strakke pak van de wet zijn gehesen.
Mogelijk met de gedachte, dat je in zo’n directe gehoorzaamheid aan het Woord het meest eerbiedig was.
Misschien ook wel, omdat het leven met geboden en wetten een schijn van eenvoud en overzichtelijkheid heeft. Maar hoe dan ook, met terugwerkende kracht verwonder ik me over deze kerkelijke neiging om de aanwijzingen van Jezus en Paulus als vanzelf te lezen als gebod en wet voor alle tijden. Want het is geen múst om deze praktijk-gerichte schriftgedeelten zo te lezen en ergens gaat er dus een (onbewuste) keuze aan vooraf! Deze keuze maakt het vrijgemaakte rapport niet bij voorbaat en dat geeft perspectief op een meer onbevangen lezing van de aanwijzingen in de apostolische brieven.

Alles of niets?
Niet dat de concrete Schriftwoorden bij een meer illustratieve lezing hun zeggingskracht verliezen. Laat ik dat er met nadruk bij zeggen! Het is niet ‘alles of niets’ in onze omgang met de Schrift. Alsof je het gezag van de apostel alleen maar recht doet als je zijn woorden letterlijk kopieert naar onze tijd als wet en gebod. Nee, ook als je een Schriftwoord meer beluistert als leerzame wijsheid houdt het zijn zeggingskracht. Minder direct misschien, maar niettemin instructief voor hier en nu! Zo is het in het Oude Testament al, als ik denk aan de wijsheid, die volgde op de thora en in die lijn ben ik de slotgedeelten van de brieven van Paulus steeds meer gaan lezen als apostolische wijsheid. Met in mijn achterhoofd een kernzin als ‘Christus is het einde der wet’. Zo’n zin maakt toch ruimte voor woorden van wijsheid!

En dan breder!
Mooi dus, zoals de vrijgemaakten op een onbevangen wijze zijn afgestapt van de massieve lezing van de echtscheidings-
woorden van Jezus en Paulus. Geeft dat geen raakvlakken met ‘ons’ VOP-rapport, zo dacht ik.
Want daarin wordt op een goed moment geconstateerd, dat het niet nodig en niet gewenst is om concrete aanwijzingen van de apostel over de man-vrouw verhouding zo recht streeks toe te passen in het hier en nu. Deze conclusie was de vrucht van tientallen pagina’s noeste vlijt, maar het lijkt sterk op datgene waar het vrijgemaakte rapport haast argeloos op de eerste pagina’s mee komt. Echt iets om nog eens interkerkelijk over van gedachten te wisselen, zo lijkt me (zie ook Persschouw in Opbouw 15 en 17).

Christelijke vrijheid
Er is nog een belangrijke reden, dat ik open ben voor een meer ‘illustratieve’ lezing. Daar kwam ik op, toen ik de concrete aanwijzingen van Paulus in het licht zag van een viertal centrale motieven in zijn denken. Ook langs die weg kan ik niet geloven dat de apostel zijn praktijkgerichte vingerwijzingen aan het slot van zijn brieven bedoeld heeft als een pakket nieuwtestamentische wetten - als was hij een nieuwe Mozes.
Neem als eerste de christelijke vrijheid - toch een grondmotief in Paulus denken.
Door de ontmoeting met de opgestane Heer werd alles in zijn leven anders en zoveel betrekkelijker. De vrijheid in Christus stempelde vervolgens zijn woorden en daden. Zou dezelfde apostel zich dan in zijn concrete aanwijzingen aan de gemeenten - ook als het gaat om bijvoorbeeld de plaats van de vrouw in gemeenteontpoppen als een handenbinder voor de kerk van alle tijden?

Missionaire souplesse
Niet anders is het, als ik denk aan het missionaire elan, waardoor Paulus gedreven werd. ‘In Christus’ vond de apostel alle ruimte om de culturen van zijn tijd binnen te gaan. Hij kon de joden een jood worden en de grieken een griek, om zo beide te winnen voor de gekruisigde en opgestane Heer. In zijn praktische aanwijzingen per brief zal dat toch niet anders zijn geweest. Maar als zijn aanwijzingen van zo’n soepele, missionaire geest doortrokken waren, moeten wij ze toch niet gaan lezen als een nieuwtestamentisch wetboek voor altijd en immer?

Wat bouwt op?
Dezelfde souplesse zie ik terug als het gaat over de opbouw van de gemeente.
Neem het prachtige woord: ‘Alles is geoorloofd, maar niet alles bouwt op’. Het eerste haalt je helemaal uit de wettische sfeer van ‘mag het wel??’ en ‘Is het wel geoorloofd??’ en bij het tweede voel je dat de vrijheid alleen ‘in Christus’ veilig is. De hamvraag is dus: wat bouwt zijn lichaam op? Niet alleen toen en daar was dat de vraag, maar ook hier en nu - met alles wat er intussen veranderd is. En dat vraagt m.i. om een toegewijde, maar soepele omgang met de concrete apostolische voorschriften.

Eigentijdse verscheidenheid
Tenslotte valt me op dat Paulus vanuit de eenheid in Christus zo’n aandacht heeft voor de verscheidenheid binnen de gemeente. De apostel zoekt steeds weer naar het eigene van ieder lid, met zijn of haar mogelijkheden.
Prikkelt dat niet om bij de lezing van de geschriften van de apostel ook te rekenen met het eigene van tijden en gelegenheden, omdat mensen en hun onderlinge verhoudingen (zoals werk en huwelijk) fors veranderd zijn vergeleken met 2000 jaar geleden? Om zo ook de verscheidenheid in de gemeente op een eigentijdse manier vorm te kunnen geven.

Vrouw in het ambt?
Deze apostolische souplesse - alleen al in deze vier motieven - kan ik niet goed rijmen met een strakke en straffe lezing van de praktijkgerichte voorschriften van dezelfde apostel.
Daarom ben ik van harte voor een praktische en laconieke omgang met zulke apostolische woorden - ook als het gaat om de vrouw in het ambt. Als de gaven er zijn, als het de opbouw van de gemeente dient, als het nieuwe mogelijkheden schept in het missionaire werk, als een gemeente denkend en biddend ten volle overtuigd is geraakt (Romeinen 14:5) - doen! In het voetspoor van Paulus, die in zijn tijd constructief (opbouwend ) en offensief (missionair) het Koninkrijk zocht. Een dergelijke constructieve en offensieve omgang met de geschriften van het Oude en Nieuwe Testament gun ik de kerken in en rond de kleine oecumene. En, zoals gezegd, het lijkt me ook een goed onderwerp voor onderling gesprek!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief