De laagte in

2004-09-17
  • Jaargang 48
  • nummer 18
Bij het jaloers maken van de Joden door de kerk denkt men vaak aan het leven van de christenen onderling, dat ze door daden van liefde laten zien dat zij verloste mensen zijn, verlost van hebzucht en eigenbelang. En dat ze daarmee aanstekelijk werken op anderen. Men ziet het dan op dezelfde lijn liggen als de aansporing van Jezus om de onderlinge eenheid te zoeken ‘opdat de wereld zou geloven dat God Hem gezonden heeft’ (Johannes 17:21).

Of men denkt aan opofferende daden van christenen naar de Joden zelf toe, zoals dat door sommige christenen in de Tweede Wereldoorlog is gedaan.
Marc de Klijn hoopt dat christenen bij joden vragen oproepen als: ‘hoe komt het toch dat jullie (christenen) zo vredelievend en belangeloos bezig zijn, zo klaar staan voor ieder die op jullie weg komt? Waar halen jullie die onuitputtelijke hulpvaardigheid vandaan?
Wat is jullie energiebron?’ (p.124). Niet dat Marc dit nu ook zo ziet gebeuren, maar je merkt hoe graag hij zou willen dat deze vragen gesteld kónden worden. Het is dus meer een wensdroom die hij hier neerpent. En waarvan hij dus de uitwerking verwacht dat de Joden erdoor tot het geloof in Christus worden gebracht.
Met de rug naar het Joodse volk Maar hoezeer ik het voor dit soort jaloers maken ook op zou willen nemen, we worden door Mozes en Paulus toch een andere kant op gestuurd. Jaloers maken is in de eerste plaats Gods werk en Hij jaagt de kerken uit hun veilige posities de laagte in om daar bij de onwetenden en verachten de liefde van God te brengen. Met de bedoeling het joodse volk te prikkelen. Zo heeft Paulus zelf het ook verstaan. De apostel is in het begin met zijn evangelieboodschap voorop naar de synagoge gegaan.
Maar gezien het geringe succes is hij later op de tactiek van het jaloers maken overgestapt. Even voorbij de in het opschrift aangehaalde tekst zegt hij immers dat hij juist als apostel der heídenen de naijver van zijn vlees en bloed wil opwekken en zo enigen uit hen behouden (Romeinen 11:14). Dit betekent toch dat hij dit effect juist met zijn ijver in de verkondiging aan de volken wil bereiken. Dus eigenlijk met de rug naar het joodse volk toe.
Nee, verstaat u mij niet mis, ik zeg niet dat de kerk, dit navolgende, altoos met de rug naar het joodse volk toe moet gaan staan – in het politieke bijvoorbeeld verdient Israël onze steun, niet in alles wat ze doen, maar in het algemeen. En hoe zouden wij in een serieus gesprek met een Jood over ons beider Messias kunnen zwijgen? - , maar ik ben nu bezig uit te leggen wat dit jaloers maken precies inhoudt.
Dit houdt het in: zoals God van de hoge Kaïn wegkeek en al zijn aandacht op de mindere Abel richtte, zo doet Hij het ook met het joodse volk.
Hij neemt hun nee tegen het evangelie serieus en zegt (als het ware met Paulus): ‘Nu gij het evangelie verstoot en u het eeuwige leven niet waardig keurt, zie nu wenden wij ons tot de heidenen…’ (Handelingen 13:46). En die beweging, daarin neemt Hij ons mee. En dáárin vooral bewijst Hij ‘zijn trouw aan Israël, nooit gekrenkt’.

Langs een omweg
Het jaloers maken gaat dus op een onrechtstreekse manier, langs de omweg van aandacht voor de buitenstaanders.
Teveel directe bemoeienis met het joodse volk zou voor de kerk niet goed zijn. Ik kan dit ook uit menselijk en uit psychologisch oogpunt zeggen en dan bedoel ik ermee dat die over-aandacht voor de Joden zoals je die in de kerken van de naoorlogse tijd ziet toch maar zo gauw in z’n tegendeel kan omslaan. Luther is dat overkomen. Die dacht dat nu hij het evangelie had mogen herontdekken, de Joden gretig zouden toehappen.
Hij keek bij hen om zo te zeggen de plant des geloofs uit de grond. Toen dat niet gebeurde, schold hij ze de huid vol en zonder dat hij dat bedoelde gooide hij olie op het vuur van de haat tegen de Joden. Zo kan het nu nog gaan en zo gaat het in onze tijd ook al weer een beetje. Maar dit is psychologie. De waarde daarvan ontken ik niet, maar ik heb het nu over iets anders. Het gaat er God om dat de Joden zien dat Hij, de Heilige, met zijn afgewezen liefde verder gaat, hun deur voorbij, en dat ze met name daardoor de pijn van het gemis van zijn verbondsliefde zullen voelen.
Zoals (en ik herhaal dit met ernst!) ook de christelijke kerk het wat het evangelie betreft voor het nakijken kan hebben. Omdat zij moet aanzien dat God met zijn evangelie anderen opzoekt en dan met name de mensen van de laagste plaatsen, zoals Mozes in Deuteronomium al zei: het nietvolk, de onwetenden.

Het ‘zeer laag’ van Psalm 113
Dus: het beste (niet het enige maar het beste) wat we als kerk voor Israël kunnen doen, is niet met het evangelie naar ze toe te gaan, maar juist van hen af te gaan. Dan geven we ook het oude verbondsvolk wat rust, want ik kan mij díe Joden zo goed voorstellen, die met argwaan al die christelijke belangstelling en drukte van na de oorlog over zich heen laten gaan met de wrange gedachte van ‘Wanneer keert het tij weer?’ Naar buiten gaan dus en aan God zelf het werk aan zijn oude volk overlaten. Wij zijn daar tóch maar te ongeduldig voor.
Met de blijde boodschap van het evangelie naar de verachten gaan om samen met hen de vreugde over Gods genade te beleven, dat zal hen tot nadenken brengen. Dan zullen wij het meemaken dat ook in onze tijd jaloers gemaakte Joden toetreden tot de gemeente die behouden wordt.
Joden. En ook niet-Joden, uit weer andere afgedwaalde delen van Gods volk. Nee, dat hoeven dan geen massa’s te zijn. Paulus heeft het ook bescheiden over ‘enigen uit hen behouden’ (Romeinen 11:14). Maar als je dat over de kerk van alle tijden en plaatsen uitsmeert kom je toch terecht bij scharen die niemand tellen kan. En, zoals ik zei, die beweging gaat nog door. Begonnen met Israël neemt God zijn weg over de kerk uit (voornamelijk) de volken om zo aan te belanden bij het ‘zeer laag’ waar Psalm 113 het over heeft. Tot daar waar Christus zelf door God op de laagste plaats is neergezet. En om Hem heen verzamelen zich dan alle kleinen, uit de Joden, uit de katholieke en uit de protestantse kerken tot mogelijk zelfs de Nederlands Gereformeerden toe, - allen die hun geluk in de Here hebben gevonden, samen met hen die zich door hen tot naijver hebben laten wekken.

Aandacht voor de zelfkant van de wereld
Wat blijft er alles samengenomen over van het verwijt van Marc de Klijn waarvan ik in dit artikel ben uitgegaan?
Het verwijt dus dat de kerk Israël te weinig tot jaloersheid gewekt heeft. Het antwoord is dat er eigenlijk iets anders van overblijft dan ik ook zelf eerder wel gedacht heb. Ik heb zelf ook altijd gemeend, net als De Klijn, dat de taak die we op dit terrein hebben in onze bejegening van de Joden gezocht moest worden. En dat ook daar veel aan gemankeerd heeft staat wel vast. Al moet daar wel aan toegevoegd worden dat de Joden onderling een zeer gesloten wereld vormen waardoor het niet meevalt hen zelfs met eenvoudige daden van naastenliefde te bereiken. Maar wat het jaloers maken betreft zijn we toch op iets heel speciaals gestuit waarover wij nog maar eens verder moeten nadenken. Dit: hebben wij de Joden wel op die indirecte wijze waarvan we de bijbel hoorden spreken voldoende liefgehad? Dat wil zeggen: hebben wij wel zoals Paulus geblaakt van ijver voor wat Mozes het nietvolk genoemd heeft, zeg maar de zelfkant van de wereld? Het is er geweest, zeker, maar was het genoeg?
En worden we juist in deze verschrikkelijke tijd niet uitgedreven naar de ellende-ophopingen waar onze aarde zo vol van is? En indien we dit al zelf niet als onze taak zien, moeten we dan toch niet voor een sfeer zorgen waarin voor zulke roepingen overvloedig plaats is? Of zijn we in veel opzichten misschien even gesloten (geworden) als de synagoge?
En wat er dan van het jaloers maken overblijft laat zich raden.
Niets, natuurlijk.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief