Schriftverstaan

2004-09-17
  • Jaargang 48
  • nummer 18
In het Nederlands Gereformeerde rapport over ‘de vrouw in het ambt’ is een aantal malen verwezen naar de wijze waarop de Gereformeerd Vrijgemaakte deputaten Huwelijk en echtscheiding in hun recente rapport omgaan met het Woord van God.
Opmerkelijk in dat rapport is met name de manier waarop 1 Korintiërs 7 aan de orde komt; het zou een incidenteel ontslag zijn van Jezus’ regel dat je niet mag scheiden; in het verlengde daarvan zou de kerk in bepaalde andere situaties in een andere tijd genoodzaakt kunnen zijn om op een soortgelijke manier te handelen en echtscheiding te zien als de enig mogelijke uitweg; ook dan blijft scheiden een kwaad, maar - net als in 1 Kor. 7 - is bij elkaar blijven een groter kwaad.
Dit Schriftgebruik heeft binnen de GKV vragen en kritiek opgeroepen.
Meest centrale punt van kritiek: 'Maar er staat toch duidelijk in de bijbel wanneer je wél mag scheiden, en wanneer dat niet mag?' In De Reformatie van 3 juli gaat drs. A.L.Th. de Bruijne (docent ethiek aan de TU in Kampen) erop in. Een gedeelte uit zijn artikel:

Wat wij onder andere met behulp van 1 Korintiërs 7 willen betogen, kun je ook langs een andere weg duidelijk maken. Misschien helpt dat om de moeite met onze hantering van 1 Korintiërs 7 weg te nemen. Ik gebruik met dat doel even een ander minder geladen voorbeeld. In de Bergrede spreekt Christus radicale woorden over de eed. Je moet helemaal niet zweren, zegt Hij, want alles wat uitgaat boven 'ja' en 'nee' is 'uit de boze'. En nu het koninkrijk nadert en Christus' genade en Geest ons zullen vervullen, moeten we verder mikken dan op indamming van de leugen (met behulp van de eed). Nu wordt de wet in ons hart geschreven en kan en moet de leugen worden uitgebannen.
Ik ga nu even voorbij aan de bekende vraag of Jezus' woord ook bedoeld was voor de burgerlijke samenleving bijvoorbeeld in een tijd waarin deze van God vervreemd is. In ieder geval kunnen we leren dat in de kérk een eed niet past en invloed van de zonde verraadt. Toch komen wij in het latere onderwijs van Paulus af en toe een soort 'eden' tegen niet als hij spreekt tot de samenleving maar binnen de geméénte. Kennelijk gebeurt daar soms toch wat niet mag gebeuren. En kennelijk kunnen als gevolg van die invloed van de zonde situaties ontstaan waarin je toch nog niet ontkomt aan een eed. In zulke situaties zou toepassing zonder meer van Jezus' woord dat je nooit mag zweren tot gevolg hebben dat de leugen of het wantrouwen onderlinge verhoudingen verder verzieken of de ruimte voor het Woord en de ambtsdrager (Paulus) verdwijnt. Dan ontstaat er dus een keus tussen twee kwaden: het hulpmiddel van de eed, dat binnen de gemeente eigenlijk geen plek meer mag hebben, en de olievlekwerking van leugen en wantrouwen.
In die situaties grijpt Paulus toch weer naar het middel van de eed.
Structureel gebeurt hier dus net zoiets als in 1 Korintiërs 7 rond echtscheiding.
En dan wordt de vraag wat wij voor onze omstandigheden hieruit al dan niet kunnen concluderen. Moeten wij dan zeggen: een eed mag nooit, behalve in exact diezelfde situaties waarin wij Paulus later toch een eed zien afleggen? Met als argument dat Paulus apostel was en wij niet. Of zouden er na de tijd van het Nieuwe Testament ook andere situaties kunnen voorkomen, die niet direct lijken op die van Paulus en waarin je een meer algemene les uit zijn voorbeeld kunt trekken? Namelijk deze les: soms kom je ook in de kerk in een dilemma terecht en is de eed het mindere kwaad. Die vraag is door de kerk al beantwoord, in zondag 37 van de Catechismus. Daar belijden we dat de eed soms geoorloofd is 'als de nood dit vereist'. De kerk heeft niet gezegd: wij mogen niet verder gaan dan de concrete situaties waarin wij in het Nieuwe testament zelf uitzonderingen tegenkomen op Jezus' regel dat wij helemaal niet mogen zweren.
Integendeel: de kerk heeft in Paulus' omgang met Jezus' woorden in specifieke omstandigheden in het volle besef dat hij apostel was en wij niet, toch ook een voorbeeldelement durven herkennen en dat durven uitbreiden tot die onbepaalde aanduiding in de catechismus: 'noodsituaties' in het algemeen. () Wat wij rond 1 Korintiërs 7 rond het onderwerp echtscheiding bedoelen, is niets anders dan wat ik hierboven uiteenzette via het voorbeeld van de eed. Daarom raken alle opmerkingen die critici maken over het feit dat Gods openbaring is afgesloten, ook rond het thema 'echtscheiding' en dat wij niet mogen toevoegen of afdoen aan Gods Woord ons in het geheel niet. Want dat de openbaring is afgesloten, erkennen wij. Wij treffen dan ook bínnen de openbaring dit voorbeeld van apostolisch toepassen van Jezus' onderwijs aan en werken daarmee verder. Bovendien betekent de afsluiting van Gods openbaring helemaal niet dat daarmee over alle concrete onderwerpen het laatste woord gezegd is en dat ethiek dus wel gereduceerd kan worden tot exegese ().
Over sommige concrete onderwerpen en de situaties waarin zij aan de orde zijn (bijvoorbeeld in de medische ethiek) zegt de Schrift niets rechtstreeks.
Daar vinden we het heel gewoon om te werken vanuit de grote lijn van de Schrift en ook om voorbeeld-elementen te benutten die de apostelen in andere situaties aanreiken.
Er bestaat geen grond om () over de onderwerpen waar de Schrift wel iets of veel over zegt (zoals de eed of de echtscheiding) aan te nemen dat daarorn ook voor concrete ethische omstandigheden alles met zoveel woorden al gezegd is en alleen nog maar exegetisch opgediept hoeft te worden, zodat wij ineens geen grote lijnen meer mogen doorvertalen of voorbeeld-elementen benutten.

Van harte mee eens. Spannend wordt het natuurlijk bij de vraag of aan dat zinnetje tussen haakjes ('zoals de eed of de echtscheiding') ook zou mogen worden toegevoegd: 'of de vrouw in het ambt'.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief