Jona's onbekeerlijkheid

2003-04-11
  • Jaargang 47
  • nummer 8
Jona 4,1-11

Het verhaal van Jona is nog niet afgelopen wanneer Ninevé tot bekering komt en God besluit om van zijn oordeel af te zien. Dat had op zich een mooi einde kunnen zijn. Maar het gaat net als bij de gelijkenis van de verloren zoon. Ook dat verhaal is nog niet afgelopen op het moment dat de jongste zoon is thuisgekomen. De vader reageert blij, maar er volgt nog een reactie van de oudste zoon en een ontmoeting tussen hem en zijn vader (zie Luc. 15,25-32). Want deze vader had twee zonen. Zo hebben we ook in het Jona-verhaal nog de reactie van Jona tegoed op die verrassende ommekeer van Ninevé. Een omkering die zo anders was dan Jona had aangekondigd.

De reactie van God hebben we aan het slot van hoofdstuk 3 gelezen. Die reactie gaat voorop en wordt als eerste vermeld, want die is ook het belangrijkste.
Toch kan natuurlijk ook Jona’s reactie niet ontbreken. Sterker nog, het is juist zijn reactie waarin het hoogtepunt van dit verhaal gelegen is. Niet de bekering van de stad Ninevé is de climax van het Jona-verhaal. Die bekering wordt zelfs op een manier beschreven, alsof een dergelijke reactie volmaakt vanzelfsprekend is, wanneer God eenmaal zijn oordeel heeft aangekondigd.
Nee, het is de onbekeerlijkheid van Jona, waarin het Jona-verhaal tot een hoogtepunt komt. Of misschien is dieptepunt in dit geval een beter woord, want het is wel een wat gênante vertoning. Jona blijkt heel anders op het gebeuren met Ninevé te reageren, dan God zelf daarop heeft gereageerd. Het wordt ook in dit laatste hoofdstuk allemaal weer heel zwartwit getekend. Zowel de betrokkenheid van God bij Ninevé als die van Jona wordt met het woord ‘zien’ tot uitdrukking gebracht. Maar God ziet iets anders dan Jona. Jona wil zien wat er Ninevé zou gebeuren (4,5), dat de stad zou worden omgekeerd, terwijl God zag wat er met de inwoners van die stad gebeurde (3,10), dat zij zich omkeerden.
Het zien van God is een uiting van betrokkenheid bij de bevolking van een stad die Hem ter harte gaat. Het zien van Jona is een uiting van iemand die zich letterlijk aan de stad onttrokken heeft.

Aan de lachwekkende manier waarop Jona ook in dit hoofdstuk getekend wordt, kunt u opnieuw zien dat we in het Jona-verhaal met een soort cartoon te maken hebben. Een karikatuur waarin de werkelijkheid tot in het extreme wordt uitvergroot. Want Jona gedraagt zich als de eerste de beste ramptoerist.
Hij zoekt een mooi plekje uit vanwaar hij een goed uitzicht heeft op het schouwspel dat binnen veertig dagen te zien zal zijn. Want dan zal Ninevé worden ondersteboven gekeerd, pre-
cies zoals dat in een grijs verleden met Sodom was gebeurd. Tegen Lot en zijn familie hadden de engelen van de HERE indertijd gezegd, dat ze op dat moment maar beter zo ver mogelijk uit de buurt konden zijn. Ze mochten niet stilstaan en zeker niet achteromzien, opdat ze niet verdelgd zouden worden (Gen. 19,17). En Jona?
Jona gaat doodleuk ergens op een mooi plekje zitten, net buiten de stad, omdat hij het oordeel van God over Ninevé als een spektakel beschouwt, dat hij wel eens van dichtbij zou willen meemaken. Ik hoop dat u er de humor van inziet. Alsof Gods oordeel iets is waar je rustig van onder een afdakje met wat bladeren naar kunt gaan zitten kijken…

De wijze waarop Jona voor ons wordt neergezet, is natuurlijk je reinste karikatuur.
Het gaat ook hier weer om de tegenstelling die er in het Jona-verhaal zit. Jona trekt zich terug en gaat ergens in de schaduw zitten, terwijl de koning van Ninevé zich juist in de as heeft neergezet. Het is al met al een koddige vertoning, waarvan het eerste hoofdstuk eigenlijk al een voorspel gaf. Toen ging Jona onder in het schip liggen slapen, terwijl de zeelui in nood waren en vreesden ten onder te zullen gaan. Je kunt er maar het beste om lachen. Maar het wordt natuurlijk pijnlijk op het moment dat de Heilige Geest je tot de ontdekking brengt, dat het Jona-verhaal ons hiermee opnieuw in de spiegel laat kijken. Als gelovige liggen te slapen, terwijl de mensen om je heen in nood zijn, dat is nog tot daar aan toe, hoewel ook dat al genoeg is om het schaamrood op je gezicht te krijgen. Maar je als gelovige demonstratief aan de wereld onttrekken en van onder een comfortabel afdakje gaan zitten toekijken hoe een stad ten onder gaat, dat is om door de grond te zakken. Opnieuw plaatst het boek Jona ons voor de vraag in hoeverre de wereld ons ter harte gaat.
Kan het ons wat schelen als ook in onze steden vandaag talloze mensen buiten de genade staan en aan Gods oordeel onderworpen zijn? Of hebben we het onder het eigen afdakje van onze kerkgebouwen eigenlijk best comfortabel samen en vinden we het al lang goed als we onze boel een beetje draaiend kunnen houden? Misschien ligt het voor ons allemaal niet zo zwart-wit als voor Jona, want Jona maakt het wel erg bont, maar zijn verhaal moet ons wel aan het denken zetten. Het Jona-verhaal bedoelt ook bij ons de vinger op de zere plek te leggen. Als wij kinderen willen zijn van onze hemelse Vader, dan moeten we onze roeping waarmaken om ook de stad waarin wij wonen met Gods liefde bekend te maken, hoe verdorven die stad in allerlei opzichten ook kan zijn.
Want ook God zelf laat zijn zon opgaan over bozen en goeden en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen (Mat. 5,45). Sterker nog, de Vader heeft zelfs zijn Zoon gezonden, opdat de wereld door Hem behouden zou worden. Jezus Christus, die meer dan Jona is. En op zijn beurt heeft Jezus weer tegen zijn volgelingen gezegd: Gelijk de Vader Mij gezonden heeft, zend Ik ook u (Joh. 20,21). Als volgelingen van Jezus zullen we ons daarom ook moeten laten zenden.
Onszelf in elk geval niet terugtrekken uit de stad en uit de wereld. Hoe kunnen we anders tot zegen zijn?

Het wonderlijke in de manier waarop Jona reageert, is overigens niet alleen dat hij zich uit de stad terugtrekt en zich als ramptoerist gedraagt, maar ook dat hij zelfs boos wordt als Ninevé zich bekeert. Of beter gezegd: Jona wordt niet boos omdat Ninevé zich bekeert, Jona wordt niet boos op Ninevé, maar op God! Omdat God bij het zien van Ninevé’s bekering van zijn eerdere besluit blijkt terug te komen en niet doet wat Hij wel had aangekondigd.
Letterlijk staat er zelfs dat Jona dit een groot kwaad vond, hetzelfde woord dat eerder voor de boosheid van Ninevé was gebruikt (1,2), waarvan Ninevé inmiddels afstand had gedaan (een ieder van zijn boze weg, 3,8). Zelfs is gezegd dat ook God inmiddels afstand heeft genomen van het kwaad waarmee Hij gedreigd had (3,10). Het klinkt haast ironisch als Jona’s boosheid uitgerekend met ditzelfde trefwoord wordt beschreven.
Met opzet weer heel zwart-wit dus.

Als Jona vervolgens onder woorden brengt, waarom hij met Gods berouw niet uit de voeten kan, ja, dan krijg je helemaal het gevoel dat hier de wereld op zijn kop staat. Want Jona verwijt God uitgerekend dat waar iedere gelovige God om zou willen prijzen.
Namelijk dat de HERE een genadig en barmhartig God is, lankmoedig en groot van goedertierenheid, en berouw hebbend over het kwaad. Daarmee citeert Jona een gedeelte uit Israëls eigen belijdenis (zie Ex. 34,6). Belangrijke woorden die ook in allerlei lofpsalmen zijn terug te vinden (zie o.a. Ps. 103,8).
Het is dus de wereld op z’n kop als Jona uitgerekend het mooiste wat je van God kunt zeggen, Hem nu voor de voeten werpt. Met de nadruk vooral op die laatste woorden, dat God berouw heeft over het kwaad. Het kwaad namelijk waarmee Hij de stad Ninevé bedreigd had. Voor het gevoel van Jona zou God in elk geval geen berouw mogen hebben. Er wordt in de bijbel vaker gezegd dat God berouw heeft over iets en dat kan op het eerste gehoor wat vreemd bij ons overkomen.
Mensen moeten berouw hebben als ze verkeerd hebben gedaan, maar dat is bij God uitgesloten, dus waarom zou God eigenlijk berouw moeten hebben? Wel, als de bijbel zegt dat God berouw heeft, dan heeft dat er mee te maken dat God een Persoon is. God is geen onpersoonlijke abstractie, maar een Persoon en intens bewogen met het lot van mensen. Er is vreugde in de hemel wanneer mensen hun leven veranderen en God is dan bereid om van zijn oordeel af te zien. Ten diepste is dat, omdat God liever wil vergeven en redden dan straffen en vernietigen.
Het hoort bij Gods vrijheid dat Hij hiertoe besluiten kan (vgl. Jer. 18, 1-10). Een reden om Hem te prijzen!

1. Kent u nog een andere gelijkenis dan die van de verloren zoon, waarmee de boodschap van het Jonaverhaal enige overeenkomst vertoont?
2. Ervaart u het Jona-verhaal als confronterend voor ons als christenen en kerken vandaag?

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief