Indien wij in die dagen geleefd hadden…

2004-10-29
  • Jaargang 48
  • nummer 21
KAMPEN - Zestig jaar vrijmaking – tijd voor achterom zien en gedenken.
Maar hoe? Ik denk dat je bij veel synodalen, vrijgemaakten en nederlands gereformeerden op deze gedachte stuit: ‘Indien wíj geleefd hadden in de dagen van onze vaderen, dan zouden wij het zover niet hebben laten komen.’ Deze gedachte blijft niet achter de haag van de tanden, men komt er in toenemende mate mee voor de dag.

Arrogantie
Eigenlijk gaat het nog verder en maakt men zich woedend op het voorgeslacht dat de kerkelijke breuk niet heeft weten te voorkomen. ‘Kerkscheuren!
En dat nog wel in oorlogstijd! Ze dachten zich destijds de weelde van een kerkscheuring te kunnen veroorloven!’ En dat soort teksten meer. Het zijn vooral diegenen onder ons die in de afgelopen jaren de zegen van het contact met medechristenen uit andere kerken hebben gesmaakt, die zich nu voor de vrijmaking schamen, aan beide zijden van de breuk. ‘Hoe hebben ze dat in die tijd kunnen laten gebeuren!
Wat is dat voor een mentaliteit geweest?
Men kan van ons mensen van de moderne tijd zeggen wat men wil, maar dit - nee, dit zou ons niet zijn overkomen!’ --

O nee?
Hoewel ook ik van mening ben dat dit niet had mogen gebeuren, heb ik geen goed woord over voor de verwaandheid die uit deze opstelling spreekt. Ik moet denken aan wat onze Heiland in een van zijn wee u!-uitspraken tegen de smaakmakers van zijn tijd gezegd heeft. ‘Wee u, schriftgeleerden en farizeeën, gij huichelaars! Want gij bouwt de grafsteden der profeten en verfraait de gedenktekens van de rechtvaardigen en gij zegt: Indien wíj geleefd hadden in de dagen onzer vaderen, zouden wij met hen geen gemene zaak gemaakt hebben ten opzichte van het bloed der profeten’ (Matt. 23 : 29 en 30). Deze schriftgeleerden en farizeeën herdachten ook wat vroeger gebeurd was, zelfs in materiële zin met het oprichten van fraaie gedenktekens, maar de mentaliteit was niet goed, men was er te arrogant voor. ‘Ik dank U, Here, dat wij niet zijn als onze vaderen…’, dat was de stemming.

’t Zijn je ouders!
Zouden jullie niet eens een toontje lager willen zingen, zegt Jezus hiervan.
Willen jullie er misschien even aan denken dat jullie de zonen zijn van die vaders van voorheen? Van die profetenmoordenaars?
Je hebt het over je eigen ouders. Dan is er toch meer reden tot schaamte dan voor zelfverheffing? Zo komt het ook niet tot bekering van de zonden der vaderen. Zo gaan jullie gewoon in het oude spoor door en maken jullie de maat van het voorgeslacht vol. Dat laatste was een voorspelling van Jezus, want nog geen week later sloegen ze d e profeet van Israël aan het kruis. Luister: bij het herdenken van het verleden stuit je op zonden van de vaders. Dat is onder ons mensen nooit anders. Maar dat mag er niet toe leiden dat wij ons boven die vaders verheffen.
Gedenken kan niet anders dan in een houding van ootmoed, juist vanwege die zonden der vaderen. Daarin herken je namelijk jezelf en je eigen geneigdheid ten kwade.

Tezamen onnut
De zonde der vaderen. Niet alleen voor de synodale daders maar ook voor de vrijgemaakte slachtoffers is er reden tot verootmoediging. ‘Tezamen zijn we onnut geworden’ – om het met de veertiende psalm te zeggen. O, stil maar, ik zie heus wel iets van zaaksgerechtigheid aan vrijgemaakte zijde (al moet die niet overdreven worden), maar daar zal ik het nu niet over hebben.
Daarover heeft het genoeg gegaan.
Het heeft ook te vaak moeten dienen om misdragingen aan bezwaarde kant goed te praten. Het gaat mij er nu om dat de mensen die zo verachtelijk het voorgeslacht blameren, - o zeker!, genoeg reden hebben om aan beide zijden op fouten te wijzen, maar geen enkele reden hebben om daar de staf over te breken en er zich laatdunkend boven te verheffen. Want het geslacht van nu heeft het in de kunst om de eenheid te bewaren niet zoveel verder gebracht dan zij. Er is helemaal geen groot voorstellingsvermogen voor nodig om in onze tijd dezelfde dingen tussen broeders te zien gebeuren als toen. Zelfs een oorlog zou ons daar niet van afhouden, want wanneer ons bepaalde dingen echt hoog zitten gaan we door roeien en ruiten. En soms is dat ook onvermijdelijk. We moeten dan ook eens ophouden daar de pijlen van onze ergernis op af te schieten.
Dus ook over het feit dat dit in oorlogstijd is gepasseerd. Men zag aan beide kanten dat er iets wezenlijks op het spel stond, iets dat in belang ver uitging boven vragen van oorlog en vrede. Een misvatting? Ik denk het wel, maar je zult je daar toch in hebben te verplaatsen. En dat voor beide kanten.

1944 en 1968
Morgen is het zesendertig jaar geleden dat ik als predikant van de vrijgemaakte kerk van Wageningen werd geschorst.
In 1944 onderging mijn vader, als ouderling, van synodale zijde hetzelfde lot. Ik heb hem daarover niet vaak gehoord, zoals ik hem ook nooit verwijtend met zijn schorsingsbul (zo die voor ouderlingen al geschreven werd) heb zien zwaaien. ‘Een ongegronde vloek treft geen doel’, zei hij de spreukendichter achterna (Spreuken 26 : 2) en dat was alles. Dat heb ik willen navolgen. Het werd mij gemakkelijker gemaakt dan hem, want ik werd na dat ongelukkige gebeuren beroepen in Amsterdam. En wat u van die stad ook wilt zeggen, Amsterdam heeft mij genezen. Ik kreeg er geen tijd mijn wonden te likken en op te poetsen. Ik ging bij al het essentiële dat daar op mij afkwam dat stukje verleden relativeren en mijn eigen fouten zien en dat stemde mij mild naar mijn rechters.
Maar in die zelfde houding ging ik toen ook naar de vrijmaking zelf kijken en naar degenen die mijn vader geschorst hadden. De lust verging mij ten enenmale om van de vrijmakingsgeschiedenis een chronique scandaleuse van de synodalen te maken, zo van: Moet je horen, toen deden ze dit en vervolgens bestonden zij dat! Ik probeerde oog te krijgen voor de goede intenties en de liefde voor de kerk van waaruit de synodes van destijds en ook mijn vrijgemaakte kerkenraad van later tijd gehandeld hadden. Zeker, daar kleefden grote gebreken aan, maar was dat bij mijn eigen handelen soms anders? En omgekeerd voltrok zich bij mij een proces van ontidealisering van de vrijmaking. Ik kon niet langer in zwart-wit denken. Ook dogmatisch niet, wat betreft de leeruitspraken van toen.

Herschrijving
Dus let wel, door wat mij zelf in de vrijgemaakte kerk was overkomen begon ik over dat eerdere conflict anders te denken. Het was niet de Open Brief die dat bij mij bewerkte, de buitenverbandstelling zelf bracht dat bij mij teweeg. Langzaam aan, dat wel, want ik ben tot in mijn nederlands gereformeerde tijd toe overtuigd vrijgemaakt geweest en sommigen zeggen dat nog van mij en zin om ze tegen te spreken heb ik niet. Maar 1944 en 1968 lijken teveel op elkaar dan dat mij en anderen de gelijkenis tussen deze twee conflicten zou ontgaan. En als dubbel ‘vrijgemaakte’ zou ik wel tegen mijn enkel vrijgemaakte broeders en zusters willen zeggen: Is de tijd niet gekomen dat we met z’n drieën (synodaal, vrijgemaakt en nederlands gereformeerd) eens bij elkaar gaan zitten om aan elkaar en aan de Here schuld te belijden over de breuken die tussen ons geslagen zijn?
‘Wij hebben gezondigd, wij en onze vaderen…’, zoals de psalm zegt (Ps. 106 : 6)? De gebeurtenissen van toen liggen nu ver genoeg achter ons om een herschrijving van die beide geschiedenissen te ondernemen, uitgaande van de integriteit van betrokken partijen en rekening houdend met de rol van de duivel die menselijke eenzijdigheden en verschillen van inzicht weet te gebruiken om wat bijeen hoort uiteen te jagen.

Echtscheiding
Nee, ik denk hierbij helemaal niet aan een kerkelijke eenwording, want er zijn intussen heuse verschillen tussen ons ontstaan, op het gebied van de tolerantie bijvoorbeeld. Het is echt overmoed te denken dat die zomaar uitgewist kunnen worden. Dat te menen hoort bij de arrogantie van ‘Als wíj toen geleefd hadden…’ en bij het geloof dat verschillen door onverschilligheid kunnen worden opgelost.
Bovendien, er hebben zich tussen ons zoiets als echtscheidingen voorgedaan en dat zijn dingen die je niet ongedaan maakt, maar waarin je met schaamte berust. Onder ootmoedige erkentenis van je onmacht tot heling. Maar wat wel mogelijk is: dat we elkaar ten goede houden, bemoedigen en bevestigen waar we maar kunnen, en vooral, dat we voor elkaar leren bidden.
Tegelijk moeten wij lering trekken uit het verleden. Het mag niet weer gebeuren. Niet dat het gebeurd is, is het ergste, maar dat het door ons toedoen weer zou gebeuren, dat moet voorkomen worden. En dan niet in de arrogantie van: dat zullen wij wel eens even beter doen, maar in de bescheidenheid van: moge God ons ervoor bewaren dat wij conflicten onnodig laten oplopen. Gods bewaring over ons inroepen, dat is wat we moeten doen, want als mij in de vijfenveertig jaren dat ik predikant ben één ding duidelijk is geworden, dan dit: eenheid tussen christenen is een klinkklaar wonder van de Heilige Geest. Begin daarom met je over eenheid, zelfs al gaat die niet verder dan tussen twee christenen, te verwonderen, niet cynisch, maar dankbaar, want de ware oecumene begint bij de broeder of zuster naast je met wie je van mening verschilt.

Vrijdagmiddag 15 oktober vond er te Kampen een opmerkelijke bijeenkomst plaats.
Het derde deel van de vrijmakingstrilogie ‘Vuur en Vlam’ is uit en het vrijgemaakte Archief- en Documentatiecentrum had daaromheen een officiële presentatie georganiseerd.

Het bijzondere van dit derde deel is dat voor de levensbeschrijving van verschillende kopstukken uit de geschiedenis van de Vrijmaking en voor de beschrijving van die geschiedenis zelf een royaal beroep is gedaan op krachten uit Nederlands Gereformeerde kring. Vanuit het besef dat het om ons beider verleden gaat.
Dit ‘samen’ kwam ook hierin tot uitdrukking dat op die presentatie zelf één van ons, naast anderen uit Vrijgemaakte kring, een woord mocht spreken. Hier volgt de tekst van het daar door dominee H. de Jong uit Zeist te berde gebrachte.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief