Verdrietige dag

2004-10-29
  • Jaargang 48
  • nummer 21
Het bericht dat een leerling overleden is blijft inslaan als een autobom in een winkelstraat.
Ze is 17 en zit in een tweede klas.
En nu is ze dood.
Ik gaf haar dit jaar geen les, maar ken haar nog goed. Een ongeluk met een scooter deed haar voortijdig sterven.

Voortijdig, naar mijn bescheiden mening. Maar als ik de rouwadvertentie die haar ouders maakten lees, denken zij daar wel erg anders over.
Op Zijn tijd, haar bepaalde tijd en door Zijn hand… Ik kan het niet geloven, dat het onze God is die opgevoerde scooters op elkaar laat donderen en zo jonge meiden doodt.

We spreken in het docententeam over een afvaardiging. De mentrix gaat erheen en ik zal ook meegaan. Voel me bijna de rouwdeskundige in ons team.
Ik kijk naar de mentrix. Ze is al lang geleden uit de kerk gestapt en heeft ‘niks meer met Jezus,’ zoals ze laatst vertelde.
En nu neemt ze half verbaasd en half geïrriteerd de kledingvoorschriften met ons door. De familie had vanuit de kerkgemeenschap laten weten: Meisjes en vrouwen dragen een rok, liefst tot over de knie. Hoofden zijn bedekt. Indien nodig zijn er hoedjes in het voorportaal aanwezig.
Donkere kleding wordt op prijs gesteld.

Een middag later zit ik bij een klas die spreekt over de begrafenis. Na alle verdriet en onbegrip over het overlijden, is er ook zakelijke tijd over het hoe en wanneer. Het wat en waar. En in die sfeer treft de klas voorbereidingen.
Meiden die serieus praten over de diverse mogelijkheden om een hoofddeksel te verkrijgen. Als het niet zo verdrietig was, zou het bijna hilarisch zijn.
Als het groepsgesprek overgaat in gesprekjes in kleinere groepjes, vraagt Inge aan me: ‘Is zij van hetzelfde geloof als jij Dromer?’ Ik denk na. ‘Ik vraag het mezelf ook af, Ik geloof wel in dezelfde God,’ hoor ik mezelf zeggen, ‘Maar volgens mij denk ik niet hetzelfde over de kledingsdingen.’

Ik red me eruit.
Tot de begrafenis een feit is.

De predikant uit het kleine, zeer traditionele plaatsje heeft een meer dan afgeladen kerkgebouwtje waarin alle gastenhoedjes
een half uur voor aanvang al uitverkocht waren.
In de preek van exact 31 minuten heeft de man zich meerdere keren (soms schreeuwend, soms dwingend vol vuur) gewend tot de aanwezige, nog levende jongelui.
Of zij klaar zijn de Eeuwige Schepper te ontmoeten. Of het leven wat zij nu leven de toets van Zijn oordeel kan doorstaan. Dat ook wij vandaag nog kunnen sterven en voor Zijn aangezicht kunnen komen. O ja, en dat we nu hopen dat A. gerechtvaardigd zal mogen zijn in het oordeel.
Ik huiver en waan me anno 2004 in een oud boek van Maarten ‘t Hart.

Op de weg terug vraagt het meisje wat naast me zit of ik van hetzelfde geloof ben.
Ik kijk over het stuur van mijn auto de verte in en zoek naar woorden waarmee ik de verdrietige ouders recht blijf doen en mijzelf ook.

Het lukt me nauwelijks.
Sterker nog: het lukt me helemaal niet.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief