De refo-zuil

2004-10-29
  • Jaargang 48
  • nummer 21
Ds. W. Visscher, predikant van de Gereformeerde Gemeente in Amersfoort, las in het Reformatorisch Dagblad (14 juli) een gesprek met prof. dr. Maarten Stol, Assyrioloog aan de Vrije Universiteit. Stol is Gereformeerd (nu dus PKN). Terwijl in de loop van zijn leven (Stol is van 1940) de kerk waarvan hij lid was sterk veranderd is, is hijzelf blijven vasthouden aan het gereformeerde denken en leven. Ter verklaring daarvoor wijst hij op het feit dat hij altijd zijn weg heeft moeten zoeken buiten de veiligheid van de gereformeerde zuil: een openbare middelbare school, de universiteit van Leiden. Stol kon dus nooit - wat hij noemt - meedobberen met de meerderheid; dankzij zijn seculiere omgeving was hij geestelijk gewapend, en zich zeer bewust van zijn identiteit.
Ds. Visscher is door dit vraaggesprek aan het denken gezet. Hij richt, in De Saambinder van 26 augustus, de blik naar binnen, naar de eigen kring:

De bevindelijk gereformeerden hebben zich langzamerhand anno 2004 ook stevig georganiseerd. Er zijn eigen scholen. We hebben een eigen krant. Er zijn eigen instellingen voor zorg. We hebben ieder onze eigen kerk. Gezamenlijk vormen we de zuil.
Een mooie gedachte en een nuttig kader om elkaar tot een hand en een voet te zijn. Tot zover is er eigenlijk, hoeveel kritiek men er van allerlei kant ook op mag hebben, niets mis met de zuil. Het is een soort noodgebouw om in de vloedgolf van de secularisatie elkaar tot een hand en een voet te zijn. Niet meer en ook niet minder. We hebben dus een zuil om af en toe wat te schuilen in de storm van de geseculariseerde wereld. () Toch begint hier ook de aarzeling.
Wordt de zuil eigenlijk nog wel als een tijdelijk noodgebouw ervaren?
Dobberen we er niet gemakkelijk in rond? Koesteren we ons niet min of meer behaaglijk in onze eigen sfeer en onder onze eigen mensen? Als je gelegenheden als de Wegwijsbeurs bezoekt, bekruipt mij toch wel die indruk. Dobberen, koesteren, met z’n allen onder elkaar!
Er zijn verschillende verschijnselen die laten zien dat het meedobberen ook onder ons weleens ver kan doorgedrongen zijn. Wat is dat meedobberen?
Hoe manifesteert het zich? Zou de gearriveerdheid niet een belangrijk element zijn? Ben van Kaam schreef ooit een boek over de “Parade der mannenbroeders”. De hoogmoedige en gearriveerde levenshouding die daaruit spreekt is onvoorstelbaar. De Gereformeerden veroverden posities, verkregen lintjes, stonden vooraan in het publieke leven, waren vechters voor de waarheid.
Zo leek het. Meedobberen was echter, in sommige opzichten, de realiteit.
Zou dat gearriveerde meedobberen ook onder ons langzamerhand niet zijn duizenden verslaan?
Iets anders is het oog voor de wereld om ons heen. Vanzelf is er een binnendringen van de wereld in de gezinnen. Je ziet het aan de jongelui op de scholen. Je merkt het bij thema’s als media, relaties, sport en muziek.
Daarover heb ik zo langzamerhand geen illusie meer. Dat is min of meer volop bij ouderen en jongeren een onderdeel geworden van hun leven.
Op wereldse wijze maken we van deze dingen gebruik. Helaas, het is de werkelijkheid. Onderzoek op onderzoek brengt dat aan het licht. Die zijde van de wereld om ons heen dringt wel door. Maar nu iets anders!
Is er ook mededogen met onze onbekeerde buurman? Doet het ons werkelijk pijn als land en vorstenhuis afwijken van Gods geboden? Is er een hartelijk bidden en aanhoudend zoeken om mensen en ook ons land terug te brengen bij God en Zijn dienst?
Een zuil bevordert het bewogen meeleven met de ander die leeft buiten de zuil bepaald niet. De interne belangen gaan voorop. Wat er buiten de deur gebeurt, blijft goeddeels onbekend.
Dat zag je bij de Gereformeerden.
Zie je dat ook niet onder ons?
Wat hebben wij nog wezenlijk te vertellen aan een ongelovige buurman?
Wat betekent het dat we Nederlander zijn? Weten we eigelijk wel wat er in de wereld om ons heen gaande is? En drukt dat? Of staan we daar heel ver boven? In een noodgebouw hebben de mensen over het algemeen niet zoveel om over op te scheppen.
Tenslotte de kritiek. Ook dat is een lastig punt bij een ver doorgevoerde zuilgedachte. In de jaren 30 kwam prof. K. Schilder in de kring van de Gereformeerden met forse kritiek. Hij werd tenslotte netjes naast de deur gezet. Zo dobberde men verder. De rust was veel waard. Hoe zit het onder ons? Er is natuurlijk onterechte kritiek. Dat is zeker. Maar niet alles is onzin. En hoe hanteren we dan kritiek?
In een cultuur van meedobberen is kritiek lastig, vervelend. Laat ik erover ophouden. Er is natuurlijk veel meer te noemen. Maar ik kan me toch niet aan de indruk ontrekken dat het meedobberen een belangrijke activiteit onder ons is geworden. Helaas.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief