Jezus Christus de lijdende Heer
2003-04-25
Wie over God spreekt, spreekt over Jezus Christus. Deze krachtige en opvallende inzet was kenmerkend voor een boek van de Amsterdamse hoogleraar Bram van de Beek, dat enige jaren geleden verscheen. Het was nog maar het eerste deel van een serie rond het thema ‘spreken over God’.- Jaargang 47
- nummer 9
Onlangs kwam een tweede deel uit over het thema ‘Israel als volk van de lijdende Heer’. Want wie over God spreekt, spreekt niet alleen over Jezus Christus, maar ook over de kring om de messias – het volk Israël in eerste instantie.
Deze concentratie van Van de Beek op Christus als het over God gaat, doet me denken aan het themanummer van Opbouw ‘Jezus uit beeld? Als het steeds vaker alleen over God gaat.’ Ik vermoed dat Van de Beek Opbouw niet leest. Hij zal niet zo vertrouwd zijn met wat in onze kleine kring geschreven wordt. Toch zijn er wel aanrakingspunten tussen wat Van de Beek in dit boek schrijft en wat er in onze kring te berde wordt gebracht, bij voorbeeld in dit themanummer van Opbouw.
Dat hangt samen met de manier waarop de bijbel, en dan weer met name het Oude Testament gelezen wordt.
Daartoe beperk ik me dan ook in deze korte serie van drie artikelen. Het boek van Prof. Van de Beek verdient een grondiger bespreking dan ik hier bieden zal.
Neo-calvinisten en de bijbel
Ik keek er toch even van op: ‘de stoere neo-calvinisten’ worden door Prof. Van de Beek uit de dood opgewekt om als voorbeeld te dienen van consequent geloof in de bijbel als Woord van God (274). De kerkvaders uit de eerste eeuwen zouden hen daarin nog overtreffen. Ik wist niet dat er nog stoere neo-calvinisten waren – ze zijn er ook niet meer, noch in de kerk noch in de staat noch in de maat-
schappij. Zeker is wel dat zij de bijbel christologisch gelezen hebben. Ook het Oude Testament lazen zij christelijk, dat wil zeggen met het oog op Christus. Geheel in lijn met Calvijn en de calvijnse traditie hebben zij het Oude Testament nagespeurd om Christus te prediken als Heiland der wereld.
Ik denk ook aan de dogmatici uit de neo-calvinistische school, als Bavinck, Berkouwer en Schilder: allemaal maakten zij veel werk van het Oude Testament als onopgeefbaar onderdeel van de bijbel. Van de Beek gaat aan deze traditie voorbij en vindt bij haar geen aansluiting voor zijn manier van lezen van het Oude Testament.
De kerkvaders en de bijbel
Van de Beek schrijft (273): ’Wie tegenwoordig de bijbel theologisch wil verstaan, ontkomt niet aan dezelfde drievoudige schriftzin die de kerkvaders toepassen en waarvan Origenes de theorie heeft beschreven.’ Het gaat niet om de historische exegese van het Oude Testament, waarbij de letterlijke zin van de tekst centraal staat. De vraag is: wat moeten we met de tekst?
Wat heeft zij ons vandaag te zeggen?
Dat wordt wel de morele zin van de tekst genoemd. Nu zal in onze kring niet zo gauw naar de moraal van een verhaal gevraagd worden, opgevoed als we zijn – of is het ‘waren’? – bij de heilshistorische uitleg van het Oude Testament. De Schriftbeweging in de Gereformeerde Kerken van de jaren 1930 keerde zich nogal fel tegen exemplarische prediking (moralisme).
We zijn het dan ook met Van de Beek eens wanneer hij schrijft dat we door horen te vragen. ‘Wat zegt dit verhaal nu over God?’ Dan hebben we het over de theologische of geestelijke uitleg van de bijbel. De kerkvaders proberen zo alle teksten van het Oude Testament te lezen. Ze slaan daarbij niets over. ‘Want alles is Woord van God’ (274). En dan volgt het zinnetje dat ze vele malen consequenter daarin zijn dan de stoere neo-calvinisten van weleer.
Het woordje ‘theologisch’
Nu weet Van de Beek best dat de bijbeluitleg van de kerkvaders veel vragen oproept. Maar ‘de Schrift moet theologisch worden uitgelegd en alleen zo verstaan we inhoudelijk de betekenis van Christus.’ We vallen nu even niet over het gebruik van het woordje ‘theologisch’, al hebben we alle reden om dat juist wel te doen. Van de Beek gebruikt het om de geestelijke zin van de Schrift, zoals iemand als Origenes erover schrijft, aan te duiden. En daar valt veel tegen in te brengen! En dat zeker als hij ook nog naar de joodse bijbeluitlegger Philo van Alexandrië verwijst (273), via wie de allegorische bijbeluitleg de kerken binnen kwam.
Maar in eerste instantie tegenover de steriliteit van de kritische bijbelwetenschap zijn we het met hem eens: ‘Het is een illusie te denken dat de historische reconstructie van een tekst tot kennis van het normatieve Woord van God leidt.’ Dat is een citaat uit een van de boeken van E.P.Meijering, Van de Beeks voormalige Leidse collega en mentor, die ook graag een goed woord doet voor de bijbeluitleg van de kerkvaders.
Ik kom er nog op terug; voorlopig stem ik met hem samen. Ook of juist de gereformeerde mannenbroeders, die vroeger aan tafel de bijbel vrijwel van kaft tot kaft lazen, zullen Van de Beek bijvallen. Het ging ook hen ‘om theologische exegese in een christologisch perspectief’ (274). Daar zou het vandaag nog over moeten gaan.
‘We hebben er weinig oefening in, maar dat geldt voor veel van het Oude Testament en voor heel het denken over Israel en zijn erfenis in de kerk.’ (275).
De Reformatoren hebben zich in deze manier van bijbellezen ‘een klein beetje’ geoefend, maar ‘het haalt toch niet aan diepgang en detail bij het werk van Origenes en Hieronymus.’ Uit de laatste eeuwen weet hij alleen nog Kohlbrugge te noemen die aan theologische exegese gedaan heeft.
Natuurlijk heeft dit consequenties voor het belijden van de kerk.
‘Waarschijnlijk hebben we daarom zoveel moeite met christologie en verzoeningsleer van het Nieuwe Testament, omdat we niet (net als de kerkvaders) gepokt en gemazeld zijn in de torah en een theologische exegese daarvan’ (276). Daar heeft hij zeker gelijk in.
Op het front tegen de modern-kritische uitleg van de bijbel staan we naast Van de Beek. Maar strijden we ook met dezelfde wapens?
Theologische uitleg van de bijbel vandaag
Uit de laatste eeuwen alleen Kohlbrugge die van theologische exegese wist!
Deze oogst is mij toch wat te mager.
Karl Barth – deed hij ook niet aan theologische exegese? Wat van de beweging van de Bijbelse Theologie die in zijn spoor halverwege de vorige eeuw veel invloed had? In Amerika is er een vrij brede beweging die zich inzet voor theologische exegese van de bijbel (rondom het tijdschrift Ex Auditu).
Maar beperken we ons tot ons eigen land, en wijzen we op een wat vergeten hoek daarvan. Uit onze eigen kleine kring zou ik toch de naam van drs.
H.de Jong willen noemen, die zijn Schriftstudie over Handelingen 7 uitdrukkelijk de ondertitel meegaf van ‘om het christelijk lezen van het Oude Testament’. Om zijn laatste studie over ‘ De ontwikkelingsgang van het Oude naar het Nieuwe Testament’ maar niet te noemen! En De Jong staat hier in een duidelijke traditie die wegkomt bij K.Schilder en B.Holwerda. De Jong zelf noemt uit zijn theologisch voorgeslacht graag nog de namen van H.J. Schilder en J.R.Wiskerke.
Waarschijnlijk is Van de Beek onbekend met deze kleine traditie in de vaderlandse theologie-beoefening.
K.Schilder is het meest bekend, maar staat hoofdzakelijk als een wat eigenzinnige dogmaticus bekend buiten onze kringen, en veel minder als bijbeluitlegger, wat hij ook was. Prof. J.van Bruggen komt in Van de Beeks studie voor als vertegenwoordiger van de traditionele kerkelijke bijbeluitleg.
Blijkbaar staat hij niet de theologische exegese voor, waar Van de Beek in aansluiting bij de kerkvaders voor pleit.
Wat verstaat Prof. Van de Beek precies onder theologische bijbeluitleg? Die vraag moet volgende keer apart aan de orde komen. Bij Prof. Van de Beek speelt onbekendheid met vakliteratuur uit binnen- en buitenland geen rol, al zal hij dan niet zo vertrouwd zijn met wat er onder ons verschenen is op dit punt. Nee, zijn teruggrijpen over de Reformatie heen naar de kerkvaders uit de eerste eeuwen is van beslissende betekenis voor zijn omgang met het Oude Testament.
Theologische exegese: ja zeker, maar hoe? Dat is de vraag die ons bezig houdt.
* N.a.v. Dr. A.van de Beek, De kring om de Messias. Israël als volk van de lijdende Heer.
Spreken over God, 1,2. Zoetermeer: Meinema. 2002 (ISBN 9021138972)