Het recht om te wonen

2003-05-09
  • Jaargang 47
  • nummer 10
Cees Huizinga was ondernemer te Heerenveen. Hij leidde een groothandel in bouwmaterialen, waarmee hij het werk van zijn vader voortzette. In aansluiting bij wat broeder Van Wijk schreef, willen we hem gedenken als een gelovige zoeker die doordrongen was van de betekenis van Gods verbond.
Kerkelijk heeft hij veel betekend in de kerken van de Vrijmaking, bijvoorbeeld in het jeugdwerk, waarin hij vanaf 1952 bestuurlijk en met schetsen en artikelen veel bijdroeg aan de Nederlandse Bond van Gereformeerde Jongelingsverenigingen.
Voor de Nederlands Gereformeerde Kerken was zijn bijdrage belangrijk in de moeilijke fase waarin deze kerken (toen nog ‘buitenverbanders’) op zoek waren naar eigen omgangsvormen.
Huizinga was rapporteur van wat zo rond 1975 de KFK heette, de Kommissie Functionering Kerkverband (zo was toen de spelling...), die voorzichtige pogingen deed om een sober maar solide Akkoord van Kerkelijk Samenleven te schrijven. De wonden van de kerkelijke scheuring waren toen nog erg zichtbaar. Ik herinner me de Landelijke Vergadering van Wezep 1978, waar Huizinga als rapporteur moest ingaan op bezwaren en amendementen die goeddeels door frustratie gestempeld waren. Tegenover cynisme op kerkordelijk gebied bracht hij ernstig en betrokken in: 'Juist voor wie ontrecht is, is het recht onopgeefbaar; mensen kunnen het recht wel schenden, ze kunnen het niet teniet doen.
Het recht blijft gelden voor de ontrechten, geen toegebrachte verbandsbreuk ontneemt ons het recht kerk van Christus te zijn.' Dat klinkt nu misschien als de woorden van iemand die fel antivrijgemaakt is, maar het tegendeel was het geval. In een interview in het Nederlands Dagblad van twee jaar geleden heeft hij nog eens opgehaald, hoe hij destijds geprobeerd heeft de Open Brief tegen te houden toen hij een groep van dertig opstellers in vergadering bijeen trof in een hotel. 'Ga naar binnen en vertel de hele vergadering dat ik op echte Franse cognac tracteer als jullie niet met dat stuk komen,' zo probeerde hij toen, tevergeefs.
Naar vermogen heeft hij onze kerken destijds voorgehouden, dat het kerkverband geen vijand is, maar dat het een beschermende functie heeft omdat we anders zijn overgeleverd aan de willekeur van kerkenraden en dominees, die hij evenzeer vreesde als hiërarchie. In Wezep werden met name de voor ons moeilijke artikelen over het kerkverband vastgesteld. Zinnen over het 'geduld met elkaar hebben en samen de tijd van God verwachten waarin Hij de weg duidelijk zal maken' waren daarin bepalend. Ik herinner me nog goed dat ook tegenstanders van deze regels in de wandelgangen zeiden: als de uitleg van Huizinga ook bewaard blijft, dan moet het wel goed gaan.
Hoe uiteindelijk de waarde van dit kerkelijk samenleven ook zij te taxeren, in elk geval heeft Huizinga eraan bijgedragen dat de NGK een geordend kerkelijk samenleven kennen, waarin tot heden nimmer een appèlzaak of revisie tot op de Landelijke Vergadering hoefde te worden uitgestreden.
Zijn betrokkenheid bij de moeite en het verdriet van mensen kwam tot uiting in het feit dat hij vele jaren voorzitter was van de Diaconale Conferentie van onze kerken.

Naast de kerkelijke betekenis van Cees Huizinga gedenken we ook de manier waarop hij als gelovige nadacht over vragen van dood en leven, geloof en twijfel. Hij deed dat in zinnen waarvan verschillende me altijd bijblijven.
'In de kerk kun je begraven, omdat er een doopvont is.' Daarbij kreeg het woord 'recht' voor hem een veel diepere betekenis dan die van het kerkrecht alleen. In 1987 hield hij op een vergadering van Opbouw een lezing onder de titel 'Het recht om te wonen', waarin hij onze afhankelijkheid van Gods beloften belichtte. 'Je zaligheid buiten jezelf zoeken, betekent Gods beloften, Gods trouw, Gods recht vinds.
den, daarvan de gegrepene zijn. En dat recht is het recht om te wonen.' Het verdriet is een belangrijke draad in het leven van broeder Huizinga geweest.
Dat omvatte het verdriet na het overlijden van zijn eerste vrouw, in 1984.
Maar het zat ook wel in hem om de zwaarte van menselijk verdriet te peilen.
Juist dat verdriet was nauw verbonden met zijn geloof. Naar de mate waarin je het verdriet werkelijk lichamelijk, existentieel ervaart, kan ook de verwachting van Gods heil werkelijk zijn, lichamelijk en existentieel. Altijd is me bij gebleven, hoe hij ons als predikanten voorhield om bij een zieke de troost te bieden: 'Het komt goed, het komt goed.' In zijn toespraak in 1987 zei hij daarover: 'Wij schieten ernstig tekort, als we tegen de geteisterde zieke wèl zeggen ‘uw zonden zijn u vergeven’ en niet zeggen ‘u wordt weer beter’.
In ons gedrag aan het ziekbed domineert onzekerheid: we zijn verlegen vanwege niet-verhoorde gebeden in de actuele lijdens-situatie. Ons gedrag wordt niet beheerst door het geloof dat er voor rechtvaardigen geen uitzichtloos lijden bestaat, waarom zij ook niet euthanaseren. Allen worden beter, het is alleen nog even wachten.' Huizinga had grote moeite met de ontwikkeling in alle kerken, ook de onze, die meer nadruk legt op de persoonlijke ervaring van het geloof.
Tegenover het Nederlands Dagblad zei hij twee jaar geleden: 'Ik ben bang dat het kerkschip weer met volle zeilen de haven van de ervaring en de burgerlijkheid binnenvaart. Wij lijken het besef van onze verlorenheid kwijt te raken. (...) Ga niet zeuren of je een groot of een klein geloof hebt. Op den duur zul je tot de ontdekking komen dat het niet sterk genoeg is. De Here moet het je blijven geven.' Voor mijzelf, helemaal deel van die kerken waarin het geloof persoonlijk zal moeten zijn of het zal niet zijn, ervaren moet worden of het zal overwaaien, zijn deze woorden toch van blijvende waarde. Zij komen dan ook uit de mond van iemand die juist als geen ander de ervaren realiteit van het geloof wist te verwoorden. Hij sprak eerlijk over een crisis waarin hij, zittende in de ouderlingenbank, zijn geloof volkomen kwijt was. En over de weg waarin hij dat geloof als ervaren werkelijkheid terugvond temidden van het diepste verdriet. In die crisis zowel als in de troost die hij vond, flonkert het goud van de ervaring van het geloof.
Blijvend herinner ik me (uit de toespraak van 1987) zijn woorden over de toekomst van de kerk: 'Zullen onze kerken een toekomst hebben, dan zal de gelovigen èn hun kinderen verkondigd moeten worden dat zij onaantastbaar zijn en zéker zullen wonen. Voor wie dat heeft gehoord, is het volle Evangelie tastbaar in een liefdevolle hand door zijn haar.'

In het vorige nummer van Opbouw plaatsten we het In Memoriam voor Cees Huizinga van de hand van br. Van Wijk, met vooral persoonlijk getinte herinneringen. Huizinga heeft echter ook veel betekend voor onze kerken en ons blad. Daarom hier nog een bijdrage van ds. Smouter, waarin hij nog eens op die kanten ingaat. Deze bijdrage verscheen eerder in verkorte vorm in het Nederlands Dagblad.

Van de redactie

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief