Het vierde kruiswoord

2006-04-14
  • Jaargang 50
  • nummer 8
Naar Matteüs 27:45,46

1. Toen Christus’ kruis werd opgericht de Zoon van God ontluisterd’ verborg de zon haar aangezicht: de wereld werd verduisterd. “Mijn God, Mijn God!” zo schreeuwde Hij, “Mijn God, waarom verlaat Gij Mij?” Een angstschreeuw uit de Psalmen.

2. Ik weet dat geen opstandigheid de Heiland heeft gedreven: de Zoon dronk in gehoorzaamheid de beker, Hem gegeven. Hij droeg Zijn lijden met geduld maar onze mateloze schuld heeft het Hem uit doen schreeuwen!

3. De zon verborg haar aangezicht: zij zag haar Schepper kwijnen in ‘t volle licht - en schaamde zich haar licht te laten schijnen. Haar treft geen schuld - hoeveel te meer moest ik mij schamen, lieve Heer, en mijn gezicht verbergen.

4. Mijn Meester, vlekkeloos en gaaf, die voor mijn ontrouw boette, zal ik mij als een bange slaaf voor U verschuilen moeten? Laat mij, geen slaaf der zonde meer, maar door U begenadigd, Heer, neerknielen aan Uw voeten,

5. ver van de plaats waar duisternis de zondaars houdt omsloten, waar het geknars van tanden is en elk van God verstoten. Daar zou mijn plaats zijn, indien Gij mijn schuld niet had geboet en mij niet met Uw licht omstraalde.

6. Heer Jezus, toen Uw droeve klacht de duisternis doorboorde, toen riep Gij mij - en in de nacht verlichtten mij Uw woorden. Gij riep mij naar Uw stralend rijk om, aan Uw engelen gelijk, te zingen van Uw liefde.

7. Eens zal mij in het paradijs het volle licht omringen: dan zal ik op een lichte wijs U eeuwig liederen zingen. Ik zal in ‘t nieuw Jeruzalem uitroepen met een heldere stem de lof van Uw genade!


Uit: In de schaduw van Uw Kruis (2006) Naar het IJslands van Hallgrímur Pétursson (1614-1674).
Vertaling: Johan Klein (www.prozamusica.nl)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief