Evangelisch uit je dak gaan

2003-05-09
  • Jaargang 47
  • nummer 10
Bij zo’n opschrift scheiden de geesten onmiddellijk; waar de één gretig verder leest, krommen de tenen van de ander zich in spontane afwijzing.
Nynke Dijkstra-Algra (inderdaad: familie van de onderbaas van ons blad) schrijft er zinnige dingen over in het Centraal Weekblad van 18 april. Ze knoopt aan bij haar eigen verbazing als kind dat kerkmensen op feesten als Pasen en Pinksteren niet vrolijker waren. Waar is de vreugde van het geloof te vinden? Dijkstra-Algra:

Wij zijn nuchtere Nederlanders. Het past niet bij onze cultuur om te dansen en te klappen en te swingen. Maar wat gebeurt er dan op de voetbalvelden als er gescoord wordt? Mensen springen en juichen, spelers buitelen over elkaar heen, “We are the champions” wordt spontaan en massaal aangeheven. En als Nederland meedoet aan een voetbalkampioenschap worden hele wijken oranje aangekleed en worden overwinningen luidruchtig gevierd. Hoezo kunnen nuchtere Nederlanders niet uit hun dak gaan? Dat is op z'n minst twijfelachtig...
In evangelische diensten en samenkomsten wordt wel gedanst. Mensen gaan staan, klappen, heffen hun handen op in aanbidding, de muziek is vrolijk, van het lichtere genre en met veel ritme. Jongeren trekken er massaal op af. Geen orgel, een bandje.
Geen moeilijke liedboekliederen, maar de eenvoudige teksten van Opwekking, die je rechtstreeks raken in je hart. De EO-jongerendag is er vol van, de jeugdkerken evenzo. Natuurlijk, ook niet iedere jongere voelt zich daar thuis.
Velen echter wél!
Waarom dan niet zoveel uitbundigheid in onze reguliere kerkdiensten?
Dat heeft, denk ik, te maken met traditie en gewoonte. Mensen ervaren losse vormen als oneerbiedig. Een kerkdienst vraagt om rust en concentratie.
Ik denk dat, naast traditie en gewoonte, karakter een grote rol speelt.
Sommige mensen houden meer van verstilde vormen, van de rust van een duidelijke structuur en van een liturgie zonder verrassingen. Dat komt hun concentratie en geloofsbeleving ten goede. Het biedt hen een bedding waarin het water goed kan stromen.
Anderen vinden dat beperkend, ze ervaren het als verstard en saai. Voor hen is levendigheid en afwisseling van belang.
Dat komt hun geloofsbeleving ten goede. We hebben helaas de neiging daar morele oordelen aan te verbinden.
Er worden labels aan gehangen als ‘star’ en ‘leeg’ en ‘doods’ (de traditionele kerkdienst) of ‘oppervlakkig’, ‘oneerbiedig’ en ‘dommig’ (evangelische samenkomsten).
Ik zou ervoor willen pleiten om die morele oordelen even achter de kiezen te houden. Probeer eerst eens te luisteren.
Wat beleven wij eigenlijk bij die verschillende vormen? Ook een discussie over kwaliteit lijkt mij in eerste instantie vruchteloos. Lichte muziek kan wel degelijk kwaliteit hebben.
Evangelische liederen ook. Dat we moeten streven naar kwaliteit, lijkt me duidelijk. Je kunt elkaar daarbij helpen - in plaats van een hele (evangelische) beweging af te doen met ‘geen kwaliteit’. ()

‘Weest blij met de blijden...’ Dat zou ook wel eens een opdracht kunnen zijn voor de kerken richting de jongeren, die ‘evangelisch uit hun dak gaan’.
Het zou wel eens kunnen dat we van hen opnieuw de vreugde van het geloof kunnen leren... Wij kunnen hen op onze beurt weer helpen om het uit te houden, ook als de vreugde-ervaring soms ontbreekt. Ook als er geweend moet worden met de wenenden.
Is het wantrouwen richting ‘de kick’ alleen maar oprechte bezorgdheid?
Of zit er ook iets van jaloezie in, richting de evangelische beweging, richting de jongeren, die daar zoveel beleven?
Kinnesinne? Ik vraag maar.
Tenslotte brengt al die vrolijkheid ook de vraag naar boven: waar zit onze eigen geloofsvreugde? ‘Bent u nog blij als iemand in Jezus gaat geloven?’ vraagt ds Jan van Butselaar, de vroegere medewerker van de Nederlandse Zendingsraad, wel eens op een gemeenteavond.
Steken we de vlag uit op Pasen? Vaak zijn we een beetje verlegen met ons eigen geloof. We weten het niet zo goed (meer). De vreugde van veel jongeren komt voort uit hun geloofsvertrouwen. Ze staan ergens voor, ze gaan ergens voor. Enthousiast, ‘in God’, ‘in de Heer’. Onzekere vreugde bestaat niet. Hoe zit dat in onze kerken? Welke spiegel houden jongeren ons voor?
Luisterend naar jongeren hoor ik dat ze veel van God verwachten en uitzien naar het werk van de Geest in hun leven, in heel Nederland. Graag voel ik me uitgenodigd om met hen mee te bidden en te verlangen. Ik wil geen sceptische generatie zijn, die aan de kant blijft staan. Tegelijk blijkt dan ook, dat jongeren bereid zijn naar mij te luisteren, mijn verhaal te horen. Ze begrijpen heus wel, dat geloofsvreugde soms ver te zoeken kan zijn. Dat geloven niet alleen maar ‘halleluja’ is.
Ze begrijpen alleen niet, dat je kunt geloven zonder je te verheugen in Gods grootheid, zonder uit te zien naar Zijn woorden en daden van liefde en trouw, zonder af en toe uit je dak te gaan van blijdschap om wat God je geeft. Ze willen graag van je horen, dat jij die vreugde kent, ook al beleef je het anders.
Niet iedereen hoeft evangelisch uit zijn dak te gaan. Niemand wordt gedwongen zijn handen ten hemel te heffen en happy clappy ‘halleluja’ te roepen. Er zijn ook mensen die hun vreugde meer innerlijk ervaren en de uiterlijke lichamelijke uitbarstingen daarvan schuwen. Prima. Als er maar wel gesproken kan worden over de vreugde.
‘Wat verwarmt jouw hart?’ ‘Wat is voor u de vreugde van het geloof, de vreugde van Pasen?’ ‘Vertel eens, wanneer ging uw hart branden zoals bij de Emmaüsgangers?’ M.H.T. Biewenga, Enschede

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief