Uit het diensthuis gedanst
2009-08-28
- Jaargang 53
- nummer 17
| 10 September verschijnt De Bijbel Cultureel, een rijk geïllustreerd naslagwerk dat iets wil laten zien van de manier waarop de moderne westerse kunst zich heeft laten inspireren door de bijbel. Onder redactie van theoloog Marcel Barnard en Liter-redacteur Gerda van de Haar hebben verschillende kenners op het gebied van film, literatuur, toneel en muziek aan het boek meegewerkt. Hieronder een kleine voor Opbouw bewerkte voorpublicatie. |
In 1870 publiceerde dominee Thomas Wentworth Higginson een opmerkelijk boek: Army Life in a Black Regiment. Opmerkelijk, omdat de protestantse Higginson een van de eerste blanken was die oog had voor de muziek en cultuur van de zwarten, de ‘negerslaven’ in Amerika.
Higginsons belangstelling voor het zwarte lied, dat hij omschreef met de naam ‘Negro spiritual’, werd min of meer toevallig gewekt. Higginson was een bekend en geëngageerd predikant en schrijver in Boston. Bijzonder was zijn vriendschap met de later zo invloedrijke dichter Emily Dickinson (1830-1866). Higginsons was haar vertrouwensman en las in het diepste geheim haar eerste gedichten. Zonder daar overigens iets mee te doen, want zijn smaak was nog te veel door zijn eigen, romantisch gekleurde, tijd bepaald om de werkelijke waarde van Emily’s achteraf uiterst moderne en even eenvoudige als diepzinnige poëzie te zien.
Maar wat Higginson dus wel zag was de schoonheid en de kracht van het poëtische lied van de neger. Ik gebruik hier bewust het woord ‘neger’, want ondanks de bijklank ‘nigger’ werd juist het woord ‘zwarte’ tot de jaren zestig vrijwel uitsluitend in vernederend zin gebruikt.
Behalve intellectueel was Higginson ook een man van de daad. Als voorstander van de afschaffing van de slavernij en medestander van Abraham Lincoln meldt hij zich in 1861 bij het uitbreken van de Burgeroorlog meteen bij het noordelijke leger. Hij wordt kapitein van een zwart regiment en hij weet niet wat hij ziet. Er gaat een wereld voor hem open. Als een nieuwsgierige antropoloog observeert hij zijn soldaten en verbaast hij zich over hun muzikaliteit. De manier waarop de predikant die ontdekt is spannend en hilarisch tegelijkertijd. Terwijl ze overdag samen op het slagveld vechten tegen de zuidelijke soldaten, bespiedt de kapitein zijn eigen mensen ’s nachts als een moderne Gideon. Hij houdt zich afzijdig met slechts één doel: hen te leren kennen. En zo ziet hij ze op een afstandje dansen, zingen en roepen rond een vuurtje onder de open sterrenhemel.
Of onze predikant in die maanovergoten nachten behalve geestelijke liederen ook nog iets heeft opgevangen van wat we later de blues zijn gaan noemen, zullen we nooit weten. Maar één ding is zeker: Higginson hoorde het religieuze lied en heeft er verslag van gedaan.
Spirituals
Niet lang daarna worden de liederen dankzij ondermeer de succesvolle optredens van de Fisk Jubilee Singers in zowel de VS als in Europa onder de aandacht van een veel breder (blank) publiek gebracht. Van die spirituals zijn ‘Deep River’, ‘Swing Low, Sweet Chariot’ en ‘Nobody Knows The Troubles I’ve Seen’ en ‘Go Down Moses’ de bekendste.
Vooral het laatste lied met dat beroemde refrein (‘Go down, Moses/ Way down in Egypt Land / Tell ol’ Pharaoh/ Let my people go’) kreeg na de overwinning van Lincoln in de Burgeroorlog een extra lading: Het Exodusmotief kon vrijwel letterlijk worden toegepast op de situatie in het Zuiden. Ook hier was een geknecht volk (‘Opressed so hard that they could not stand’) uitgeleid naar de vrijheid. De tekst die Higginson zo keurig in zijn veldnotitieboekje had opgetekend moet bij het haardvuur werkelijk geklonken hebben als een triomfantelijk strijdlied:
When they reached the other shore
Let my people go
They sang a song of triumph o’er
Let my people go
De liederen waren niet alleen uitingen van het op de plantage opgepikte geloof (dat blijft toch een ironisch gegeven, dat de slaven in hun onderdrukking of ondergeschiktheid meestal van hun christelijke blanke heren wel de sleutel tot de bevrijding meekregen). Met name in het begin van de twintigste eeuw gaven ze de zwarten een grote vorm van cultureel zelfvertrouwen. Dichters als James Weldon Johnson (1871-1938) en W.E. DuBois (1868-1963) schreven vol trots over de zwarte bijdrage aan de Amerikaanse cultuur. Voor Johnsons was ‘Go Down Moses’ dan ook een compositie die zelfs niet onderdeed voor de liederen die Bach in zijn tijd schreef en dan had hij het over de stem van zijn broeders nog niet eens gehad.
Op de een of andere manier moet je wel aan Louis Armstrong en zijn ode aan ‘The Good Book’ denken als je Johnson hoort zeggen:
You sang far better than you knew; the songs
That for your listeners’ hungry hearts sufficed
Still live – but more than this to you belongs;
You sang a race from wood and stone to Christ.
DuBois gaf het zwarte lied in zijn The Souls of Black Folk (1903) nog meer betekenis. Hij beschreef de spirituals als ‘the most beautiful expression of human experience born this side the seas… the singular spiritual heritage of the nation and the greatest gift of the Negro people.’
De gedeelde smart van de slavernij is mede dankzij de muziek tot halve smart geworden. En van die halve smart misschien wel tot een feest.
Want soms lijkt het wel of de slaven niet door JWH uit het slavenhuis zijn geleid, maar dat zij er op het ritme van de golven zijn uitgedanst.
Reggae
Hetzelfde geldt ook voor de voormalige West-Indische slaven uit Jamaica.
In Jamaica, dat van 1655 tot 1944 onder Engels bestuur viel, was het dominee Marcus Garvey (1887-1940) die als een soort kruising van Moses en DuBois en voorloper van Martin Luther King jr. en Malcolm X zijn zwarte landgenoten veel zelfbewustzijn schonk. Al was de slavernij in 1838 afgeschaft, de discriminatie van de Afroamerikanen op het eiland ging net als in de VS gewoon door en van gelijkheid was nog weinig te merken. Garvey stelde de achterstelling aan de kaak en gaf zijn landgenoten hun geschiedenis terug. Hij benadrukte de aloude band met Afrika en met name die met het door Jah (JWH) uitverkoren volk van Ethiopië. Via de koningin van Sheba, zo vertelde de overlevering, was het volk via Salomo met Gods volk verbonden en via die lijn zou God verder Zijn heil openbaren. Zeker sinds het rijke en ontaarde westerse christendom zich in de loop der geschiedenis steeds meer van Hem had afgekeerd en door Garvey meer met Babylon dan met Zion vergeleken werd. Op grond van de Holy Piby, waarin een combinatie van oude scheppingsmythen en teksten uit de bijbel (Tora) en de Koran was opgenomen, wees Garvey de blanke interpretatie van het christelijk geloof af en voorspelde hij de komst van een zwarte verlosser.
Die verlosser kwam in de figuur van Ras Tafari Makonnen ofwel keizer Haile Selassie (1892-1975), die het goddelijke koningschap van de stam en het huis van de Leeuw van Juda zou voortzetten. Het verklaart niet alleen de naam van de Jamaicaanse rastafari maar ook de bijbelse beeldspraak in een heel eigen vorm van dansmuziek, die dankzij Garvey ook een eigen inhoud kreeg: de reggae.
Tot de eerste reggae-hits waarin het Exodus-motief een belangrijke rol speelt, behoort het prachtig ingehouden staccato gezongen ‘The Israelites’ van Desmond Dekker uit 1968. Het is een vroege reggaevorm waarin de ska (de meer up-tempo dansmuziek die als voorloper van de rocksteady en de reggae wordt beschouwd) over is gegaan in een iets trager en meeslepender, ja meditatiever dansritme.
Pijn
Met Desmond Dekker breken eind jaren zestig ook andere zangers door die de ska en de reggae op een hoger peil brengen zoals Jimmy Cliff (‘Wonderful world, beautiful people’), Lee Perry en Burning Spear, die met zijn profetische gestalte tot op de huidige dag een heel eigen sfeer aan het rastaevangelie geeft. In 1972 zingt Cliff de titelsong van de film waarin hij ook de hoofdrol speelt: The Harder They Come. Cliff speelt de typische held van de armen die als het moet met geweld zijn deel van de welvaart opeist. Ondanks de humor in lied en film blijft de ondertoon strijdvaardig en wordt de herinnering aan de slavernij nooit vergeten: ‘I’d rather be a free man in my grave than living as a puppet or a slave…’.
Op het aan zijn leermeester en inspirator opgedragen album Marcus Garvey (1975) doet Burning Spear hier een schepje bovenop. In ‘Slavery days’ zingt hij ‘And how they beat us… And how they worked us so hard… and how they used us/ till they refuse us’…
Het is precies die pijn die de reggaeondanks de hoop (op een vrij Afrika) en de strijd die er altijd in te beluisteren valt - vaak een wat klagend en zelfs klaagliederig karakter geeft. Of het nu gaat om het bekende aan Psalm 137 refererende ‘By The Rivers Of Babylon’ (van The Melodians en later vooral als smartlap bekend geworden door Boney M.) of ‘Stir It Up’ van de legendarische Bob Marley, steeds weer word je geconfronteerd met die trage weemoedige echo waarin de geschiedenis zich steeds opnieuw laat horen.
Bob Marley
Met Bob Marley (1945-1981) noem ik meteen ook de grootste legende van het reggaegezelschap. Naast beroemde hits als ‘No Woman No Cry’ schreef hij met in 1977 met ‘Exodus’ zijn rastaversie van het bijbelse ‘Go Down Moses’:
Open your eyes and look within:
Are you satisfied (with the life you’re living)?
We know where we ‘re going,
We know where we’re from.
We’re leaving Babylon
We’re going to our Father land.
Exodus, movement of Jah people!
Oh yeah!
Send us another Moses
From across the Red Sea (2x)
Movement of Jah people!
Exodus, all right! – Oo-oo-oh! Oh-ooh!
Movement of Jah people! Oh yeah!
…
Move, move, move etc.
‘Let my people go!’ Opstandig en swingend, niet bij de pakken neerzittend – weg van die Babylonische hangplek van Psalm 137; dansend het diensthuis uit, de Schelfzee door, de vrijheid, ja Zion tegemoet.
Literatuur:
Leo Blokhuis, ‘By The Rivers Of Babylon’ in: Het Plaatjesboek (Ambo 2007) Gert Keunen, ‘De opmars van de Jamaicaanse muziek’ in: Pop! Een halve eeuw beweging (Lannoo, vierde druk 2007).
http://www.reggae-culture.nl J.W. Schulte Nordholt, ‘Negro spirituals’ in: Het woord brengt de waarheid teweeg (Kok 1992)
De Bijbel Cultureel verschijnt op 10 september bij uitgeverij Meinema te Zoetermeer en kost 89,90 euro. Tot 1 november kan het boek met korting voor 75 euro besteld worden via een intekening.