Godslastering

2004-12-12
  • Jaargang 48
  • nummer 24
‘Wie wind zaait zal storm oogsten.’ Dat bijbelse gezegde (Hosea 8:7) kwam mij in gedachten tijdens de stormachtige dagen na de moord op Theo van Gogh. De beroering ten gevolge van dit staaltje van gewelddadig moslimextremisme op eigen bodem is groot en stemt tot ongerustheid.
Helaas hadden mensen als Van Gogh niet bijgedragen tot een rustiger klimaat. Integendeel: zelf heeft hij wind gezaaid, door moslims te typeren met schuttingwoorden en hun profeet als een ‘kinderverkrachter’.

Een Eindhovense moslima sprak voor de TV rustig maar duidelijk haar heilige verontwaardiging daarover uit. Als belijdend christen voel ik met haar mee. Immers, in een eerdere fase heeft Van Gogh ook richting christenen uitspraken gedaan die heilige verontwaardiging konden oproepen. Zo heeft hij ooit onze Heer Jezus Christus uitgemaakt voor ‘rotte vis uit Nazareth’.
Dat is voor een christen niet maar kwetsend; dat is heiligschennis.
Moeten moslims op hun beurt niet evenzeer heiligschennis hebben ervaren bij dit nieuwe moddergooien?

Via het strafrecht?
Het voornemen van minister Donner om ‘smalende godslastering’ effectief strafbaar te gaan stellen, leek me dan ook een adequate reactie. Natuurlijk is het zeer de vraag of de gruwelijke slachtpartij in Amsterdam voorkomen had kunnen worden, wanneer die prikkelende heiligschennis eerder via het strafrecht was aangepakt. Maar ik nam wel aan dat het matigend zal werken wanneer de overheid op deze wijze metterdaad grenzen aan de vrijheid van meningsuiting stelt. Ik vergiste me deerlijk. Want al gauw bleek dat het nu de minister was die wind had gezaaid en stak er van geheel andere zijde een storm op. Binnen het parlement werd heftig geprotesteerd tegen deze maatregel ter bescherming van godsdienstige mensen. Minister Verdonk deed ook een duit in het zakje door moslims op te roepen niet zo overgevoelig te reageren. Zoals bekend haalde een motie om het gewraakte verbod op ‘smalende godslastering’ nu juist te schrappen, het niet. Op zijn beurt zag de minister van zijn plannen af en bedaarde het tumult.

Vervreemd van ‘het heilige’
Een storm in een glas water? Was het maar waar. Want de onenigheid binnen het kabinet en de aanvaring van minister Donner met een deel van het parlement legden akelig duidelijk de kloof bloot die in de Nederlandse samenleving is ontstaan. Laat ik het zo formuleren: er groeit steeds meer afstand tot, onbegrip voor en ergernis aan het religieuze besef, dat er in het leven ook nog zoiets is als ‘het heilige’, dat nietige mensen met ontzag vervult en als zodanig ver uitgaat boven al het andere. Ik leid dat niet zozeer af uit de wens, om de bewuste strafrechtelijke bepaling te schrappen.
Als theoloog kan ik niet beoordelen of die ook echt het geëigende instrument is om aanhangers van een godsdienst te beschermen tegen uitlatingen die hen tot in het diepst van hun ziel raken. Wat bij mij alarmbellen deed rinkelen, was de argumentatie.
‘Het heilige’ dat nietige mensen met ontzag vervult Uit een krantenbericht maakte ik op dat mevrouw Van der Laan van D’66 in een dialoog met een christelijk kamerlid ongeveer dit gezegd heeft: ‘Iedereen heeft wel iets buitengewoon kostbaars in zijn leven waar de ander van af moet blijven. Voor u is dat uw godsdienst; voor mij mijn kind. Het ene is niet meer bijzonder dan het andere. Er is dan ook geen reden om godsdienstige mensen extra bescherming te bieden boven mensen die niet godsdienstig zijn.’ Dat nu lijkt mij een argumentatie die niet opgaat en die verraadt, hoe diep geseculariseerde mensen vervreemd kunnen zijn van ‘het heilige’. Want godsdienst heeft nu juist betrekking op een werkelijkheid die uitgaat boven welke kostbaarheid ook. Ik hoef allen maar te wijzen op Lucas 14:26 om dat aan een christen duidelijk te maken. Jezus spreekt daar intrigerende en ook wel alarmerende woorden: ‘Wie mij volgt, maar niet breekt met zijn vader en moeder en vrouw en kinderen en broers en zusters, ja zelfs met zijn eigen leven, kan niet mijn leerling zijn.’ (NBV) Daar heb je het, in al zijn steile verhevenheid: het heilige. Jezus vertegenwoordigt een werkelijkheid die al het andere overtreft. De kostbaarste relaties in het leven worden overtroffen door het toebehoren aan Hem. Zelfs het eigen leven van een mens is relatief, vergeleken bij de absolute waarde die Jezus brengt.
Voor Jezus Christus zou een christenmens kunnen sterven.

Het allerkostbaarste
Open Doors vertelt ons over streken in de wereld waar christenmensen in hun liefde voor de Heer metterdaad zover gaan. Maar wat staat dat martelaarschap ver bij ons vandaan. Wij hebben dan ook reden om deze uitspraak van Christus met bescheidenheid en verlegenheid te citeren. Ze stelt ons daarnaast voor ernstige vragen.
Is Hij echt voor ons het allerkostbaarste dat we hebben? Zouden wij de keuze die Hij ons voorhoudt kunnen en willen maken? Weten wij eigenlijk wel waarover we het hebben, wanneer we dit soort dingen bespiegelen?
En toch. Mij treft altijd weer hoeveel pijn en verscheurdheid christelijke ouders ervaren als hun kinderen in het geloof een radicaal andere weg gaan. Dat duidt erop, hoe inderdaad het leven met Christus op een of andere manier geweldig belangrijk is, zo belangrijk, dat het zelfs relaties met kinderen onder druk kan zetten… Maar ook uit de geloofsbelijdenis die ik enthousiaste jongeren onlangs hoorde afleggen sprak dat radicale besef, dat er echt niets is dat opweegt tegen het toebehoren aan Jezus Christus.
Dat is dan ook het allerlaatste waar je aan mag komen!

Bovenmenselijk
Waar het nu om gaat is dat elke godsdienst wordt bepaald door iets of iemand dat of die in absolute zin ‘heilig’ is. Dat roept onmiddellijk de waarheidsvraag op. Hebben we reden om christen te zijn en geen hindoe of moslim? Of komt het uiteindelijk allemaal op hetzelfde neer? Dat eerste geloof ik wel en dat laatste niet, maar daarover wil ik het nu niet hebben.
Het gaat mij er hier om dat moslims niet minder gevoelig zijn voor heiligschennis en godslastering dan christenen.
Is voor het christendom Jezus ‘heilig’, voor de islam zijn dat vooral de profeet Mohammed en de koran.
Het ergste wat je gelovige moslims kunt aandoen is dan ook dat je dat heilige schendt. Je komt dat niet maar aan iets van henzelf, iets buitengewoon kostbaars, maar aan datgene wat zij houden voor een manifestatie van de goddelijke werkelijkheid. De kwetsbaarheid van een religieus mens voor godslastering is dan ook van een andere orde dan de kwetsbaarheid van ouders voor het beledigen van hun kinderen, of die van homo’s voor discriminatie. In de laatste twee gevallen hebben we met een moreel kwaad te maken, met een vergrijp aan onze menselijkheid. Heel erg en daarom strafbaar, ongetwijfeld. Maar in het geval van ‘heiligschennis’ en ‘godslastering’ is sprake van een religieus kwaad, van een vergrijp aan een werkelijkheid die boven het menselijke en morele uitgaat.

Inlevingsvermogen
Nu kan daar natuurlijk tegen in gebracht worden: ‘Zo ziet ú het, als religieus mens. Maar voor niet-godsdienstige mensen bestaat ‘het heilige’ helemaal niet. Dan is het ook te veel gevraagd om van hen te eisen dat zij inzien dat godslastering van een andere orde is dan bijvoorbeeld discriminatie.’ Dat is een tegenwerping die serieus moet worden genomen. Maar of zij onweerlegbaar is? Natuurlijk zal iemand die zelf diep religieus is, uit eigen ervaring weten dat ‘het heilige’ een fenomeen is van een geheel eigen orde. Maar de eigen religieuze ervaring is niet noodzakelijk om tot dat besef te komen. In de praktijk hebben heel wat niet-godsdienstige mensen er een soort intellectueel besef van, dat religie voortkomt uit de ervaring van ‘het heilige’. Zij mogen dan zelf geen deel hebben aan die ervaring; zij respecteren wel het getuigenis van mensen die er met ontzag over spreken.
Kennis nemen van de opbrengst van de wetenschappelijke bestudering van religieuze ervaringen helpt niet weinig om dat respect te versterken.
Daarom ben ik van mening dat we in het kamerdebat ook van seculiere politici in dezen meer onderscheidingsvermogen hadden mogen verwachten.
Nu blijft de indruk achter, dat men in radicaal geseculariseerde kringen geen antenne meer heeft voor het specifieke van het verschijnsel ‘godsdienst’.

Instrument
Dat vind ik diep te betreuren. Om twee redenen vrees ik ook dat we daarmee in de samenleving bedrogen zullen uitkomen.
In de eerste plaats, omdat ik als christen geloof in Gods openbaring in Christus, door zijn heilige Geest.
Wanneer wij mensen daarop niet afstemmen, zullen wij niet goed en heilzaam met de werkelijkheid kunnen omgaan. Voor een samenleving die daarentegen enkel met eigen menselijke kracht en wijsheid wil rekenen om de wereld terecht te brengen, houd ik mijn hart vast. Maar er is nog een tweede reden waarom ik die radicale secularisering vrees. Ik denk dat men zich daardoor ook berooft van een belangrijk instrument om het vreemdelingenvraagstuk te hanteren. Hoe zullen al die moslims in ons land ooit kunnen integreren, wanneer men van de zijde van de overheid niet wérkelijk recht doet aan hun religieuze achtergrond?
Hoe kan een minister voor vreemdelingenzaken ooit slagen, wanneer zij oprecht van mening is dat het getuigt van overgevoeligheid wanneer moslims zich beklagen over heiligschennis?
Alleen een beleid dat meer antenne ontwikkelt voor de enorme betekenis van religie, zal naar mijn overtuiging goed kunnen inspelen op de enorme problemen die de aanwezigheid van vreemdelingen in onze samenleving met zich meebrengt. Gebed voor regering en parlement is dan ook dringend nodig. Laat er niet nog meer wind gezaaid worden, opdat er niet een nog krachtiger storm opsteekt.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief