Kerkvaders & reformatoren
2003-05-23
Was Saul een lijdende messias, die heenwijst naar Christus de lijdende Heer? Of was hij toch een zelfmoordenaar?- Jaargang 47
- nummer 11
Prof Van de Beek leest de geschiedenis van de verworpen koning Saul vanuit de lijdende Heer.
Dat doet – voorzichtig, dat wel – toch ook drs H.de Jong in zijn boek De twee messiassen, wanneer hij aan 1 Samuël 31 toekomt. De overeenkomsten met Van de Beeks lezing zijn opvallend. Zoals ik al eerder opmerkte, er zitten wel aanrakingspunten tussen Van de Beek en de kleine traditie waarin wij zijn groot geworden. Uw wil geschiede.
Maar tradities die elkaar raken, vallen nog niet samen. Zo zegt De Jong dat er een gelijkenis is tussen de ondergang van Saul ‘met het lijden en sterven van de lijdende knecht des Heeren’.
En verderop: ‘Zo heeft Gilboa een weerschijn van Golgotha.’ Maar wat bij Jezus zo duidelijk aanwezig is, is zo schrijnend afwezig bij Saul: de gehoorzame oriëntatie op God. Jezus worstelde in de nacht voor zijn sterven in de hof van Getsemane. Hij worstelde om Gods wil te doen. Saul bracht zijn laatste nacht door bij de heks van Endor, waar hij dwars tegen Gods geopenbaarde wil in de dode Samuël probeerde te raadplegen. Hier ervoer Saul zijn godverlatenheid op het diepst.
Maar die had hij vrijwillig over zich afgeroepen. Aan het kruis nam Jezus die vrijwillig op zich terwille van een wereld verloren in schuld. Sauls lijden was een onvruchtbaar lijden, dat geen enkele winst afwierp voor zijn volk.
Twee tradities, tweeërlei schriftuitleg!
Waar zit het verschil?
Letterlijk of geestelijk
Hier zou ik de namen van twee kerkvaders willen noemen, die onder ons vrijwel onbekend zullen zijn: Origenes en Chrysostomus. Maar ze staan voor twee verschillende stromingen in de bijbeluitleg in de eerste eeuwen van de kerkgeschiedenis. Origenes staat voor een geestelijke, Chrysostomus voor een letterlijke uitleg van de bijbel.
Opmerkelijk is het nu dat Prof Van de Beek uitdrukkelijk verwijst naar Origenes; de naam van Chrysostomus komt in zijn boek niet voor. Calvijn daarentegen had grote waardering voor Chrysostomus’ omgang met de bijbel; voor Origenes had hij geen goed woord over. Wat had Calvijn op Origenes tegen? Kort gezegd: Origenes nam geen genoegen met wat er staat in de tekst. Hij zocht achter de woorden naar het Woord, terwijl Calvijn zelf in aansluiting bij Chrysostomus zich op de woorden van het Woord concentreerde.
Deze treffende typering ontleen ik aan een artikel van prof Peels van Apeldoorn. Origenes zocht met behulp van de allegorische methode naar de geestelijke, de theologische, betekenis van de tekst, terwijl de letterlijk-historische betekenis goed genoeg was om de eenvoudige gelovigen te stichten. Calvijn stelde de letterlijkhistorische betekenis van de tekst centraal.
De boodschap zit in de woorden van de tekst en niet er achter of er onder. Veel sterker dan Calvijn deed, moeten we in het verlengde hiervan echter ook rekening houden met de bedoelingen van een schrijver en met wat de eerste lezers van zijn geschrift eraan gehad kunnen hebben. Maar terecht legde hij de nadruk op de letterlijke betekenis van de tekst als de geestelijke of theologische betekenis.
Hierop voortbordurend kunnen we er ook nog een volgende leesregel aan toevoegen. Als er al van een geestelijke boodschap gesproken moet worden (de sensus plenior), die achter de horizon lag van de schrijver en zijn eerste lezers, dan mag die toch nooit losgemaakt worden van de letterlijke boodschap.
Er moet een organisch verband bestaan tussen wat de tekst letterlijk bedoelt en de diepere bedoeling die er door de Heilige Geest ook in gelegd is. Deze diepere bedoeling komt naar boven bij het licht van wat God verder en later nog bekend maakte. Dus inderdaad, vanuit het Nieuwe Testament komen er dingen in het Oude Testament aan het licht, die tevoren nog niet zo gezien waren. Tevoren lagen die nog in het duister. Een foto in het volle licht van de middagzon laat veel meer zien dan in het schemerlicht van de avond.
Maar het is wel dezelfde foto.
Overbelichting vanuit Christus
Van de Beek wil in de traditie van Origenes met zijn geestelijke uitleg van de bijbel staan. De Jong staat in de traditie van Calvijn met haar aandacht voor wat er letterlijk staat. Zou daar het verschil in uitleg van Sauls dood niet vandaan komen? Van de Beek kent maar één leesrichting: van achteren naar voren, van Christus naar Saul. Dan krijg je overbelichting van de foto.
Alles wordt onscherp; de historische contouren van Sauls leven en dood vervagen. Christus vult het hele plaatje, van Saul als historische persoon blijft niets over. De eigenlijke betekenis van Saul ligt dan in zijn verwijzing naar Christus. Daar wist de schrijver van deze geschiedenis natuurlijk niets van af; zijn lezers zouden er ook weinig mee gekund hebben. Het lag nog volledig buiten hun horizon. Deze christologische uitleg vloeit echter ook niet organisch voort uit de letterlijk-historische boodschap. De nacht te Endor is hier een onneembare barrière. De historische werkelijkheid van Sauls leven en dood wordt zo onvoldoende serieus genomen. De betekenis van zijn geschiedenis in het Oude Testament zelf en de blijvende waarde daarvan voor het heden, komt helemaal niet aan de orde.
Te christelijk
Maar dat is ook niet de grootste zorg van Van de Beek. Dat de woorden die Sauls leven en dood beschrijven deze christologische interpretatie niet kunnen dragen, is in deze uitlegtraditie ook niet zo erg. Van de Beek wil geen preek over Saul houden. Het gaat hem er om Christus de lijdende Heer vanuit het Oude Testament, ook voor de Joden, te prediken. En wie onder ons wordt daar niet door aangesproken? Maar wordt het Oude Testament bij hem zo niet al te christelijk? Ik bedoel: gaat het in het Oude Testament werkelijk op elke pagina eigenlijk alleen over Christus de lijdende Heer? Het gaat in 1 Sam. 31 bij voorbeeld over Saul, de Gezalfde des Heeren, die Gods weg met zijn volk naar de toekomst blokkeerde.
Meer dan een negatief type van Christus kan ik niet in hem zien. En daar valt ook vandaag christelijk over te preken.
Laten we echter oppassen voor een verchristelijking van het Oude Testament.
Het land aan Israël
Dezelfde problematiek komen we ook tegen bij lezing van het laatste, spannende hoofdstuk over de landbelofte, Genesis 12:3. Van de Beeks conclusies zijn verrassend. Toch vind ik weinig exegetische verankering in de tekst van het Oude Testament van zijn stelling dat de landbelofte voor altijd geldig blijft voor het joodse volk. De Joden zelf zullen de landbelofte als een onopgeefbaar onderdeel van hun identiteit beschouwen. Daar kun je als christen vrede mee hebben. Maar dat is niet beslissend voor hoe de kerk theologisch met deze belofte omgaat.
Vanuit de kerk mogen er kritische vragen gesteld worden. Kunnen de woorden over de landbelofte in het Oude Testament bij voorbeeld Van de Beeks christologische interpretatie werkelijk dragen? Zijn lezing achteraf speelt hem hier zeker parten. Wat wordt versterkt door zijn geestelijke lezing in het spoor van Origenes. Opnieuw zou het interessant zijn De Jongs beschouwingen over het land er naast te leggen. Ik denk aan zijn opmerkingen over ‘Sion en de lijn van de plaatsen’ in zijn recente studie 'Van oud naar nieuw' (2002). Het verschil tussen beiden zou wel eens hierin kunnen zitten dat Van de Beeks zoekt naar het vleesgeworden Woord achter de woorden en De Jong zich concentreert op de woorden zelf van het Woord dat nog vlees moet worden. De een is dogmaticus, de ander bijbelgeleerde.
Zou dat er ook mee te maken hebben?
Heen en weer
Bekijken we nu nog eens hoe De Jong de geschiedenis van Sauls dood uitlegt.
Hij kent twee leesrichtingen: eerst van voren naar achteren, en dan van achteren naar voren. Zelf legt hij dat uit met behulp van het zandlopermodel; maar daarover verder nu niet. Maar eerst loop je als christ-gelovigen met het Oude Testament op, de lange wegen van de oudtestamentische heilsgeschiedenis volgend. Hij geeft minitieus aandacht aan alle punten en komma’s van de Hebreeuwse tekst: wat staat er?
wat wordt er bedoeld? Dat is de ene beweging, de historische, waarin het historisch-wetenschappelijk onderzoek hand in hand gaat met taalkundige analyses van de tekst. Maar dan volgt de tweede beweging, die van de prediking: van het Nieuwe Testament naar het Oude. Want de lange verbondsweg van het Oude Testament loopt dood in de ballingschap en echt uitzicht komt er pas als de beloofde Messias verschijnt, van wie het Nieuwe Testament getuigt. Dan kan de oude verbondsweg via Christus verder lopen de wijde wereld in. De Jong maakt de beweging terug naar het begin: van de lijdende Heer naar de verworpen koning Saul. Bij Sauls dood denkt ook hij aan de lijdende Messias, net als Van de Beek. Maar zijn verstaan van de letterlijk-historische boodschap van de tekst als geheel verhindert hem om in Saul een model te zien van de lijdende knecht des Heeren. Hij schrijft dat Sauls koningschap laat zien hoe de Messias niet is. Koning Saul blijkt een van de valkuilen op Gods weg met Israel te zijn, die met David verder liep. De tekst van de bijbel richt onze aandacht op David als model van de ware Messias, Jezus Christus. De twee Kroniekenboeken bevestigen dit alleen maar.
Christelijk lezen van het Oude Testament laat ook de canon in haar recht.
Het gaat De Jong dus heel duidelijk om het christelijk lezen van het Oude Testament. Maar, in onderscheid van Van de Beek, kent hij twee leesrichtingen.
Daarom kan hij ook met de letterlijk-historische uitleg uit de voeten, wat Van de Beek feitelijk niet kan; hij heeft er eigenlijk ook geen behoefte aan. Zo kan De Jong aan het beslissende onderscheid tussen Saul en Christus recht doen, dat bij Van de Beek verloren gaat. Voor de christelijke uitleg van het Oude Testament moeten we niet bij Origenes in de leer, is mijn conclusie.
Wij zouden nog eens wat meer over iemand als Chrysostomus willen horen. Misschien dat Prof Van de Beek ook nog eens tijd vindt om het christelijke lezen van het Oude Testament in onze kleine traditie te bestuderen.
Onze tradities raken elkaar op dit punt, maar toch is de afstand groter dan wenselijk is in onze steeds onchristelijker wordende samenleving.
In het spoor van Chrysostomus
Ik volg liever Chrysostomus, en dus Calvijn, als leermeester in de bijbeluitleg.
Al weet ik best dat ook Calvijn nogal eenzijdig vanuit het Nieuwe Testament met het Oude omging. Zijn leesrichting was van achteren naar voren, zoals dat tot in de jaren 1960 algemeen gebruikelijk was in de kerkelijke bij beluitleg. We kunnen daarom vandaag moeilijk bij Calvijn stil houden, alsof de bijbeluitleg na hem niets wezenlijks meer te bieden heeft. Dat is een vorm van romantisch premodernisme, waar we als gereformeerde bijbellezers wel voor moeten oppassen.
Maar Calvijn nam tenminste de woorden van het Oude Testament letterlijk-historisch. Dat kan van Origenes niet gezegd worden. En daar begint alle bijbeluitleg mee, wil ze geestelijk uitkomen.
Prof Van de Beek schreef opnieuw een boeiend boek, waaruit veel valt te leren. Het stimuleert om de bijbel opnieuw te lezen en dieper te betrekken in onze theologische discussies.
Groter lof kan een dogmatische studie niet worden toegezwaaid. Hij zal van alle kanten over zijn ‘Israel-theologie’ worden aangevallen. Veel daarin is de moeite van serieuze overweging waard.
Maar daar zal een andere serie artikelen voor nodig zijn, en een meer deskundig schrijver.
* N.a.v. Dr. A.van de Beek, De kring om de messias. Israel als volk van de lijdende Heer. Spreken over God I,2. Zoetermeer: Meinema. 2002. (ISBN 9021138972).