Dopen

2003-06-06
  • Jaargang 47
  • nummer 12
Op een zondagmiddag wordt Irma overgedoopt. Jan en An, haar ouders zijn er bij. Gelukkig kunnen ze het opbrengen. Ze hebben Irma als baby laten dopen en vinden dit moeilijk.
Met gemengde gevoelens volgen ze de overigens ingetogen dienst. Was dit vijfentwintig jaar eerder gebeurd dan hadden ze geen voet in deze kerk gezet. Nu zijn ze ouder, wijzer en milder.
En terwijl Irma haar getuigenis geeft en belooft haar hele verdere leven in dienst van de Heer te stellen, denkt moeder An aan haar andere dochter die geloof en kerk vaarwel heeft gezegd.

Twee dagen later zit An in het huis van die dochter op de rand van het bad.
Een kleinzoontje van bijna zes spartelt en spettert in het water en snatert gezellig met oma.
An kijkt vertederd toe, voelt een steek in haar hart als ze bedenkt dat dit jongetje zo weinig aan geestelijke bagage van zijn ouders meekrijgt. Ze bedenkt hoe verschillend haar beide dochters zijn die toch dezelfde opvoeding hebben gekregen. Hoe kan het dat de één zo vol overgave Jezus wil volgen, en de ander Hem aan de kant heeft gezet.
'Oma?' de stem van haar kleinzoon onderbreekt haar gedachtegang. 'Oma, ik geloof in de Here Jezus. Hij kan dat echt doen hè oma, water in wijn veranderen op die bruiloft...' An knikt verbaasd. Hoe komt het kind er opeens bij. Alsof hij voelt waar zij aan denkt.
'Ja schat, dat heeft de Here Jezus gedaan. Heeft juf dat verhaal verteld?' 'Ja.' Even later: 'Oma, wat is dopen?' An aarzelt. Dit moet ze heel voorzichtig aanpakken. Haar dochter weet dat ze straks met de kleine jongen een avondgebedje zal bidden. 'Prima hoor mam, dat mag u hem best leren.' Zo eenvoudig mogelijk probeert ze antwoord te geven. Dopen is afwassen, schoonwassen. Het jongetje in bad kijkt haar met grote ogen aan.
Hij begrijpt het best.
'Mijn papa en mama hebben mij niet laten dopen.' 'Dat maakt voor de Here Jezus niks uit, lieverd. Je hoort bij Hem.' 'Maar oma hoe doen ze dat dan precies, dopen?' Och jochie.
An ziet opeens een plaatje voor zich: Philippus en de kamerling van Candáce.
'Zie daar is water, wat is er op tegen dat ik gedoopt word?' 'Kijk,' zegt An en schept met haar hand het badwater over het kinderhoofd, 'Sander, ik doop je in de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.' Het kind lacht.
'Je hebt me niet echt gedoopt hè oma?
'Nee schat.' 'Weet je oma? Je kunt ook gedoopt worden als je al groot bent.' En met de doop van haar jongste dochter nog op het netvlies, zegt An warm: 'Daar heb je helemaal gelijk in hoor! Kom maar, dan zal oma je afdrogen.'

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief