Ware en valse kerk
2003-06-06
In ons type gereformeerde kerken is een bepaalde uitleg gangbaar (geweest?) van het spreken over ware en valse kerk. In de hervormde kerk werd daar - logisch - altijd wat anders tegenaan gekeken. In De Waarheidsvriend (het blad van de Gereformeerde Bond in de Nederlands Hervormde Kerk) van 1 mei schrijft ds G.D. Kamphuis daarover: - Jaargang 47
- nummer 12
Waar is de kerk? In de tijd van de Reformatie was dat een spannende vraag. De Rooms-Katholieke Kerk had daar een zeer uitgesproken antwoord op: ‘Waar de paus is, daar is de kerk’. Daarmee bedoelden de roomsen: overal waar men trouw is aan de paus en de roomse leer, daar is de kerk. Men koos voor die stelling om de reformatoren buitenspel te zetten. Zij waren scheurmakers en ketters. Ze braken met de kerk, want ze braken met de paus en met de bisschoppen. () Wat was het antwoord van de reformatoren?
Zij wilden de kerk niet scheuren en breken. Hun diepste intentie en verlangen was: reformeren van de kerk van binnenuit. Uit heel de theologie van Calvijn spreekt een diepe afkeer van separatisme, van het verlangen om van de kerk te scheiden.
Vanwaar die intense onmogelijkheid om de kerk te breken?
Dat was omdat men de overtuiging was toegedaan dat er slechts sprake kan zijn van één kerk. Zoals wij ook één God, één Middelaar, één doop, één genadeverbond belijden.
Daarom was de stelling van de Reformatie: ‘Waar het Woord is, daar is de kerk’. () Tegenover Philips II en de hele Rooms-Katholieke Kerk moest ook de Nederlandse Geloofsbelijdenis zich rekenschap geven van deze vragen.
Daarom brengt de geloofsbelijdenis in artikel 29 ‘de ware en valse kerk’ ter sprake. Guido de Brès legt uit dat deze beide kerken gemakkelijk te onderscheiden zijn. Hij bedoelt: aan de ene kant staat de Roomse Kerk en aan de andere kant de kerk van de Reformatie. () De Roomse Kerk wordt echter niet bij name genoemd. Er wordt zorgvuldig maar ook voorzichtig geformuleerd.
De Roomse Kerk krijgt hier een spiegel voorgehouden: de kenmerken van het valse kerk-zijn! () Een heldere, scherpe spiegel. De kerken zijn gemakkelijk te kennen en te onderschei-den. () Werd de Nederlandse Geloofsbelijdenis in de nacht van 1 op 2 november 1561 over de muur van het kasteel te Doornik geworpen, de Westminster Confessie dateert van 1647. Dat is dus 86 jaar later. De situatie is totaal anders. De ‘achilleshiel’ van de Reformatie is aan het licht gekomen. De onderlinge verdeeldheid kristalliseert zich uit in afzonderlijke kerken, die zelfstandig naast elkaar staan. In het begin van de Reformatie was er sprake van het gemakkelijk onderscheiden van de ware en de valse kerk. Maar... hoe zit het nu?
Aan de ene kant moest nu groter nadruk gelegd worden op de onzichtbaarheid. Dwars door de kerken heen was ‘de onzichtbare kerk’ aanwezig, zij die de Heere toebehoren.
Aan de andere kant was de vraag: ‘Hoe zit het met de verhouding tussen de afzonderlijke kerken in de lijn van de Reformatie?’ Daarvoor koos de Westminster Confessie in artikel 25 als insteek dat afzonderlijke kerken ‘meer of minder zuiver’ zijn. Dat hangt af van de leer, de orden van de kerk en de eredienst.
Zelfs de zuiverste kerken kunnen lijden onder bepaalde vormen van dwaling. De onzichtbare kerk openbaart zich in zichtbare kerken die ‘meer of minder zuiver’ zijn.
Impliciet vindt hier een acceptatie plaats van de breuken binnen de Reformatie.
Bovendien werd door deze formulering de bedding geschapen voor een eenvoudiger overgang van de ene naar de andere kerk, of zelfs voor het overwegen van kerkscheidingen.
() In zo'n visie op de kerk is breken met de weg van de kerk, hoe uiterst pijnlijk ook, minder ernstig dan in de lijn van Calvijn en de NGB. () De kenmerken van een valse kerk (artikel 29 NGB) worden in geen enkel reformatorisch belijdenisgeschrift gebruikt tegen mede-reformatorische kerken. Toch zijn kerkscheidingen in de Nederlandse geschiedenis een feit geworden. De Afscheiding van 1834, de Doleantie van 1886, en de voort-gaande kerkscheidingen daarna zijn er voorbeelden van. En dat ondanks het feit dat we allemaal dezelfde NGB met daarin artikel 29 hadden en hebben.
Geleidelijk aan is de lijn van de NGB, over de valse kerk, ingeschoven in de lijn van ‘meer of minder zuivere kerken’.
En de legitimatie voor het breken van de kerk werd gezocht in het feit dat ‘een minder zuivere kerk’ soms werd benoemd als ‘een valse kerk’. In de akte van Afscheiding en Wederkeer werd de Hervormde kerk in 1834 dan ook ‘een valse kerk’ genoemd. En de eenheid werd (voorgoed?) verbroken.
Eerlijk moeten we zeggen dat de Hervormde Kerk van die dagen er langs heen schuurde. In de begrippen ‘ware en valse’ kerk zit beweging.
Er was op vele plaatsen geen zuivere bediening van het Woord.
De sacramenten waren aangetast, de tucht keerde zich tegen mensen die het Evangelie zuiver verkondigden.
Maar, de kerk als geheel een valse kerk? Nee. Daarom zijn onze vaderen in de negentiende eeuw ook binnen de kerk gebleven en niet zonder zegen. Zij bleven binnen het kader van artikel 29. De kerk, hoe ernstig ziek en verzwakt, is niet vals.
Daarom zijn ze gebleven. () En de kracht van Gods Woord en de werking van Gods Geest bleek wonderlijk.
Christus vergaderde Zijn gemeente door Woord en Geest in die vervallen situatie. Hij bleek de vervallen en gedeformeerde kerk niet te hebben verlaten.
Dat lijkt me een zinnig verhaal. En tegelijk denk ik, als ik zoiets lees: wat zijn we als (kerk)mensen toch druk met het verdedigen van onze eigen positie. Of dat nu de gereformeerde of de hervormde positie is, het verhaal is identiek: wij hadden toch wel een beetje meer gelijk dan de anderen.
In plaats van dat we ons gezamenlijk kerkelijk gestuntel ootmoedig aan de Here geven.