Psalmen voor Nu

2003-07-11
  • Jaargang 47
  • nummer 14
De krantenkoppen wilden wel happen, toen ruim een maand geleden in de Bergkerk in Amersfoort een achttal nieuwgedichte psalmen op (pop) melodieën werd gepresenteerd.
Vooral ook, omdat het een bescheiden begin was van wat een groot project van 150 psalmen moet gaan worden. Het ND hield het nog neutraal met ‘Berijmde psalmen op popmelodieën’, maar in andere kranten kon je lezen ‘Psalmen aantrekkelijker door pop-versie’ of zelfs: ‘Pop-versie moet psalmen redden.’

Rien van den Berg, de redacteur-dichter die de aanzet gaf tot het project ‘Psalmen voor Nu’, wuifde die laatste kop vrolijk weg. ‘De psalmen redden zichzelf wel,’ zo reageerde hij laconiek en dat zegt meteen iets over de sfeer van dit Psalmen-project. Ik ben ook om andere redenen wel benieuwd hoe ver ze zullen komen met dit initiatief.
In dit artikel een paar overwegingen bij een omvangrijke klus.

Pop-achtig
Alleraardigst vond ik, dat Van den Berg zelfs het journaal haalde met zijn initiatief rond het psalter. Dat kwam natuurlijk niet door de teksten, want tekstueel is er ten opzichte van de nieuwe berijming niet zó ingrijpend veel veranderd, dat heel Nederland daarover moest worden ingelicht.
Rien van den Berg werd natuurlijk voor de camera gehaald vanwege de moderne muzikale jas, waarin hij de psalmen had gestoken. Melodisch zette hij daarmee een stap van eeuwen. Als je je verder realiseert dat ‘men’ bij de psalmen op zijn geneefs aan de (traditionele) kerk denkt - en andersomdan moet dit wel een revolutionair initiatief zijn in de ogen van de buitenwacht.
En zo kregen de psalmen een welverdiend plekje tussen het wereldnieuws.

Souterliedekens
Over die populaire melodieën kan ik verder weinig zeggen. Bij de eerste presentatie in de Bergkerk was ik er niet bij en ik kreeg op aanvraag alleen de teksten van de uitgeverij toegestuurd.
Waarmee ik blij ben trouwens.
Wel moet ik bij ‘psalmen op populaire melodieën’ denken aan een uitgave uit de eerste helft van de 16e eeuw.
Toen was het de Utrechtse jonkheer Willem van Zuylen van Nyevelt, die de psalmtektsten op bekende (pop)ulaire melodieën zette. In zijn voorwoord blijkt dat hij vooral de jeugd wilde bereiken, om zo ‘die ionge ieucht een oorsake te gheven om in die plaetse van sotte vleescelike liedekens wat goets te moghen singhen, daer God doer gheert en si doer ghesticht mogen worden’ (Psalmzingen in de Nederlanden, p.29). Het resulteerde in een bonte verzameling, die bekend werd onder de naam Souterliedekens. Het bonte zat vooral in de originele teksten van de hergebruikte melodieën.
Werd psalm 117 nog gezongen op een waardig Benedictus, de 150e psalm vond je terug op de melodie van het hartstochtelijke lied ‘De bruid en wou niet te bedde’. Die bundel heeft de kerken dan ook niet integraal gehaald. Al snel vond een compleet psalter ingang, waaraan gewerkt was door dichters en musici in Genève onder leiding van Calvijn. Niks geen volksliedjes dus, maar het werk van vaklui als de dichter Marot en de musicus Bourgeois. Ze hebben, als je terugkijkt, wel eer van hun werk hebben gehad, want volgens hun concept is er eeuwenlang gezongen. Vooral in Nederland natuurlijk, maar ook in Noord-Amerika, Zuid-Afrika en in landen als Japan en Nieuw-Guinea.

Bij de afwas
Ook Van den Berg heeft met zijn initiatief de jongeren voor ogen gehad en hoopt met deze update van de psalmen te bereiken, dat ook de komende generatie zich al zingend de inhoud van het psalter zal toe-eigenen.
Van den Berg vindt het ook niet goed, dat de psalmen zo opgesloten zijn in het reservaat van de zondag.
De psalmen moeten hun zondagse kleren zien kwijt te raken en het alledaagse herwinnen. Psalmen voor bij de afwas, zoals het in EO-Visie stondwat menig Nederlander vanwege de inmiddels verworven vaatwasser weer ouderwets in de oren zal klinken.
Maar dat is een kleinigheid, want de gedachte erachter is de moeite waard.
In voorbije tijden werd de zondagse zang van de psalmen gedragen door de dagelijkse omgang met deze liederen.
Zo maar bij het huishoudelijke bijvoorbeeld of (nog niet eens zo lang geleden) zondagsavonds bij het harmonium. Nu gebeurt het misschien nog eens, omdat de kinderen op een christelijke school van orthodoxe snit ‘een versje’ hebben te leren. Maar verder is dat dagelijkse er in veel gezinnen uit en zijn de psalmen (en misschien zelfs überhaupt wel de christelijke liederen) een zaak van de zondag. Jammer, want de psalmen sluiten heel goed aan bij het weerbarstige dagelijkse bestaan en leggen die vaak harde werkelijkheid voor je open - zoals ik in het eerste artikel probeerde te laten zien. En didactisch gezien is dat enkele uurtje op die ene gewijde dag te weinig om vertrouwd te raken met de inhoud van deze liederen (en dat geldt nog sterker voor de Schrift als geheel). Dat alles heeft Rien van den Berg goed aangevoeld met zijn verlangen naar doordeweekse psalmzang in kleiner verband.

Bij de computer
Het sluit mooi aan bij een aardige ervaring onlangs, in de aanloop naar het Amersfoortse psalmen-project voor de stichting Dôme. Ter oefening waren we op de avond van tweede pinksterdag met een paar mensen uit ons buurtje aan het zingen uit de psalmen 45–58, niet het meest toegankelijke deel van het psalmboek.
Prachtig natuurlijk om dat te doen in de meerstemmigheid van de 16e eeuw en de schoonheid daarvan kan ook echt aan 21e -eeuwse oren besteed zijn. Maar minstens zo bijzonder was het om te merken hoe in een muzikaal moment de inhoud van de liederen dichterbij kan komen. De boetepsalm 51 bijvoorbeeld, met zijn ‘schep in mij een rein hart’ of het te wekken morgenlicht, waarin Gods genade voelbaar is (psalm 57). En dan waren er enkele stralende coupletten uit psalm 119, die we tussen de bedrijven door ook zongen. Je ervaart op zo’n moment dat de schoonheid je toeleidt naar de waarheid. Daar deden de kerken van vóór de reformatie meer mee, dan wij nu. Maar het werkt dus ook nog in 2003. Bijvoorbeeld als je de psalmen zingt in zettingen van muzikale meesters als Goudimel en Le Jeune. Gewoon op een maandagavond in een huiskamer, met een man of vijf.
Een hele moderne component voegt zich moeiteloos. Want zonder de computer hadden we die vijftien psalmen nooit zo snel zo goed meerstemmig kunnen zingen. Via dit apparaat waren de zettingen uitgeprint en konden alle afzonderlijke stemmen worden afgespeeld en geoefend. Zeg niet van vroegere tijden dat ze beter waren.
Elke tijd heeft ook weer zijn nieuwe kansen en langs zo’n weg - ook de elektronische - gebeurt iets van wat Van den Berg met zijn project ook zoekt.
Dat de psalmen dichterbij komen en ons pad vaker kruisen dan alleen op de zondag en te horen zijn in andere verbanden dan alleen de gemeente.

(On)berijmd
Een goede kant aan ‘Psalmen voor Nu’ vond ik ook, dat men soepeler omgaat met de keus tussen berijmd en onberijmd. Van de elf psalmen, die ik onder ogen kreeg, was het merendeel niet of nauwelijks berijmd. Dat wil niet zeggen dat daarmee elke dichterlijke kwaliteit verdwenen is, want een poëet heeft heel wat meer pijlen op zijn boog dan alleen het rijm.
Maar deze elf zijn dus aanzienlijk vrijer opgezet dan onze psalmberijming uit het Liedboek. Nu zijn de meesten van ons wel vertrouwder geworden met het gegeven, dat zingen niet perse ‘berijmd zingen’ hoeft te zijn. Bij het evangelische lied merk je dat, want opwekkingsliederen (en wat daar omheen zit) zijn veelal zonder rijm geschreven. Maar ook in andere kerkelijke tradities, zoals de anglicaanse en katholieke traditie, is een belangrijk deel van wat gezongen wordt onberijmd qua tekst.

Plussen en minnen
Gaandeweg merk je ook berijmd en onberijmd zo hun plussen en minnen hebben. Berijmen betekent een geduchte beperking van de woordkeus door de dwang die in het eindrijm zit.
Denk maar aan het gezweet op een sinterklaasgedicht! Verder zul je terwille van het rijm soms iets moeten toevoegen en op een ander moment iets moeten weglaten ten opzichte van het onberijmde origineel. Zet je het dan ook nog eens op een melodie, dan betekent dat een nog verdergaande beperking. De tekst zal immers ook nog in zeer regelmatig patroon geschreven moeten zijn. Toch is in de gereformeerde traditie steeds voor deze twee stappen gekozen, zodat we de psalmen kennen als berijmd en in coupletten geschreven.
Het grote voordeel is dat je de berijmde psalmen heel goed samen als gemeente kunt zingen. En geholpen door regelmaat, rijm en de draagkracht van de melodie is de tekst ook gemakkelijk te onthouden.
Een onberijmde versie heeft de beperkingen van rijm en metrum niet en kan dus dichter bij de originele tekst blijven. Zulke onberijmde psalmen zijn (vaak) wel weer lastiger voor de gemeentelijke samenzang, zodat je dan vaak ziet dat een koor de hoofdtekst zingt en de gemeente als geheel een eenvoudiger refrein-couplet voor zijn rekening neemt (Psalmen van Oosterhuis-Huijbers zijn volgens dit stramien opgezet).
Van den Berg breekt in zijn ‘Psalmen voor Nu’ met de vanzelfsprekendheid van de berijming en het strakke couplet.
Zijn overweging daarbij is, dat je op die manier ook zingend zo dicht mogelijk bij het hebreeuwse origineel blijft. Dat is vanuit het voorgaande heel goed te begrijpen en die insteek is alleen al een reden om zijn voorstellen met aandacht te lezen en te vergelijken met bijvoorbeeld de liedboekversie (en natuurlijk de onberijmde bijbeltekst).

Gavengericht
Positief vond ik ook dat Rien van den Berg bij zijn opzet van het project samenwerking heeft gezocht met dichters, musici en kenners van de grondtekst. Daaruit spreekt een verlangen naar een goede kwaliteit van teksten en melodieën. Ik vind het passen bij de aandacht die er onder ons is gekomen voor het gavengericht werken in het gemeentelijke. Ik zeg er maar meteen bij, dat ik in de doolhof van gemeentelijke smaken en voorkeuren wel wordt geholpen door die gavengerichte benadering. Ik heb wel eens iemand horen zeggen dat ze in de gemeentelijke diversiteit alleen nog maar op het hart van de mensen lette. Of het dan broddelteksten waren deed er voor haar niet veel toe. Hart goed, al goed. Zo’n benadering is me toch te mager en ik geloof ook niet dat je ver komt als enthousiasme de mantel is die de inhoudelijke en musicale tekorten moet bedekken. Nee, zet ook hier de musicale en literaire kwaliteiten maar in - ook als het gaat om de bezinning op het liedrepertoire.
Blijf op dit gevoelige terrein van het kerklied gavengericht denken!
Dat doet Rien van den Berg, als hij zich omringt met mensen, die de gave van woord en muziek hebben. Daar kom je op de lange duur het verst mee, al verwacht ik niet van 21e-eeuws werk - hoe goed ook - dat het de eeuwen zal trotseren.
Volgende keer nog iets meer over enkele van de elf uitgebrachte psalmen, waarvan er eentje trouwens al te lezen is bij dit artikel.

Psalm 121
Berijming: Rien van den Berg ©Uitgeverij Boekencentrum, Zoetermeer, 2003

Een bedevaartslied

Ik kijk omhoog naar de hoge bergen:
Waar komt mijn hulp vandaan?
Mij helpt de HEER die aarde en hemel
die alles heeft gemaakt.

Hij staat niet toe dat je voet zal zwikken.
Hij is niet ingedut!
Hij dommelt niet, valt zeker niet in slaap
die Israël bewaart.

De Heer bewaart je, hij is je schaduw,
steeds aan je rechterhand.
De middagzon, en in de nacht de maan,
doen je totaal geen kwaad.

De HEER bewaart je voor al het kwade
De HEER bewaart je ziel.
Ga je naar huis, of trek je eropuit:
God helpt in eeuwigheid.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief