Hebben wij een brede hermeneutische bezinning nodig?

2003-07-11
  • Jaargang 47
  • nummer 14
In de vorige Opbouw citeerde ik uit een toespraak die drs. A.L.Th. de Bruijne, universitair docent aan de Theologische Universiteit te Kampen (Vrijgemaakt), hield naar aanleiding van zijn bijdragen aan de bundel Woord op Schrift. Eén van de grondstellingen van De Bruijne (de openingszin ook van wat ik de vorige keer citeerde) is, dat het hoognodig is dat de gereformeerde theologie de discussie gaat voeren over de hermeneutische kwestie.
Het is juist op dat punt dat - in hetzelfde nummer van De Reformatie waaruit ik de vorige keer citeerde - de Nederlands Hervormde dr G. van den Brink zijn vraagtekens zet. Is het wel waar, zo vraagt hij zich af,

dat voortgaande concentratie niet zozeer op inhoud en strekking van de bijbel, alswel op de formele aard van haar gezag ons hier echt uit de problemen kan helpen.
Vooralsnog lijkt het er in elk geval niet op dat er zoiets als een nieuwe consensus ontstaat, eerder zijn er duidelijke tekenen aanwijsbaar van het tegendeel, nl. van een verdergaande polarisatie waarbij om zo te zeggen het midden steeds leger raakt. Zij die de uitkomsten van een nieuwe hermeneutische bezinning vrezen, zetten nl. de hakken in het zand; zij die deze bezinning daarentegen juist met vaart gestalte geven dreigen op den duur steeds minder boodschap te hebben aan hen die de gevaren zien. Dat is wat ik in dit verband met polarisatie bedoel, en die is m.i. niet nodig omdat we als het gaat om de Schriftleer nog altijd een prachtige consensus hebben in de artikelen 3 t/m 7 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. ()

Persoonlijk voel ik me zeer thuis bij de opmerking van A.A. van Ruler, dat het een veel spannender en aangelegener zaak is om de inhoud van de Schrift te doordenken, dan om te komen tot een moeizame omschrijving van haar formele wezen. Dat laatste krijgen we toch nooit op formule. Het zal ons telkens weer blijken te ontglippen.
Daarvoor is de bijbel eenvoudig een te groots boek. Hij overstijgt onze pogingen er een hecht doortimmerde inspiratieleer of hermeneutische theorie op toe te passen. Het zal ons ook werkelijk niet lukken de gereformeerde omgang met de bijbel als een afgebakende weg geheel af te schermen tegen elk mogelijk verglijden in historisch-kritische óf in fundamentalistische richting. De 'derde weg' is per definitie een aangevochten weg, die altijd weer dreigt af te buigen in één van beide richtingen. Misschien moet je zelfs zeggen: zij is naar beide zijden geperforeerd, en we kunnen weinig meer doen dan er de wacht bij houden zodat het de spuigaten niet uitloopt.
Daar hebben we dan de belijdenis voor met haar even heldere als pneumatologisch getoonzette belijdenis van het gezag van de Schrift. Met helder bedoel ik, dat de belijdenis er geen misverstand over laat bestaan dat de Schrift als geheel en in al haar onderdelen Woord van God is, waar we nooit een eigenmachtige uitleg aan mogen opdringen. Met pneumatologisch getoonzet bedoel ik, dat het de Geest is die de kerk de juiste omgang met de Schrift aanleert (vgl. art.
5), zonder dat we dat ooit geheel en al op formule (op ‘letter’) kunnen krijgen.

Gezien de precaire situatie waarin de ‘derde weg’ zich bevindt is het inderdaad altijd weer een wonder te constateren, dat de Schrift haar gezag dwars door onze vragen en verlegenheden heen gewoon blijkt uit te oefenen.
Dat is een even verbazingwekkend als bemoedigend feit: de bijbel blijkt in de praktijk van het kerkelijk en gemeentelijk leven haar gezag telkens weer door te zetten. Mensen laten zich erdoor gezeggen. Zelfs, zo valt vaak op, bij tal van Schriftkritische theologen blijkt de Schrift nog wonderbaarlijk veel gezag te hebben.
Want zij proberen dikwijls (soms zelfs tot in het absurde toe) hun eigen theologische opvattingen als bijbels voor te stellen, door maar zoveel mogelijk bijbelteksten en -exegeses te geven die deze lijken te ondersteunen. Vaak heb ik me afgevraagd waarom zij dat eigenlijk doen wanneer ze het gezag van de bijbel toch helemaal niet nodig zeggen te hebben om hun eigen opvattingen te legitimeren. Natuurlijk oefent de Schrift in de praktijk van kerk en theologie veel minder gezag uit dan wenselijk is. Alleen, ligt dat niet veel meer aan onze natuurlijke neiging om ons niet te laten gezeggen maar eigen keuzes te maken dan aan onze gebrekkige theorievorming over de aard van haar gezag?
Ook daarom zou ik t.a.v. de Schriftleer niet graag spreken over een hoogst noodzakelijke inhaalslag. Wel zie ik nut en noodzaak van wat ik zou willen noemen een regelmatige onderhoudsbeurt.
Op veel theologische studentendisputen blijken jaarthema’s als ‘hermeneutiek’ en ‘Schriftgezag’ (of meestal in één adem: ‘Schriftgezag en hermeneutiek’) elke vijf à zes jaar terug te keren. Dat lijkt me een goede zaak. Elke generatie studenten moet zelf door de vragen heen, en zich daarbij een weg zien te vinden die trouw is aan de confessie en tegelijk op de hoogte van de tijd. Ik verheug me er daarom in wanneer van tijd tot tijd nieuwe studies verschijnen die studenten en andere belangstellenden helpen bij het vinden van zo'n weg, door te laten zien hoe we de bijbel kunnen en moeten verstaan en wat de resultaten van de bijbelwetenschappen daaraan toe- of afdoen. De bijbelwetenschappen zijn voortdurend in beweging, en van tijd tot tijd moeten we de balans weer eens opmaken en de ontwikkelingen relateren aan ons belijden inzake de Schrift. Met dat (pre-moderne, dus aan alle ontwikkelingen sinds de Verlichting voorafgaande) belijden is het laatste woord weliswaar niet gezegd, maar het blijkt in de praktijk juist vanwege zijn soberheid al vele eeuwen lang toch echt wel tegen een stootje te kunnen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief