De schapen op de dijk
2003-08-01
Hollandser kan het toch niet!- Jaargang 47
- nummer 15
Geschilderd ergens in de IJsselvallei of op een van die duizend andere plekjes in Nederland: de schapen op de dijk, de koeien in de wei. Deze oer-Hollandse regel vloeide Rien van den Berg uit de pen bij de berijming van Psalm 8. Op zo’n moment zou je bijna vergeten dat het gaat om een lied uit een andere wereld en uit een tijd dat er bij ons nog weinig dijken te vinden waren. Psalm 8 als een psalm van nu en wat die ene regel betreft zelfs even op disclocatie!
Rien van den Berg (Psalm 8, 88 en 121) zorgde samen met Menno van der Beek (Psalm 4, 23, 49, 73, 114 en 137), Ria Borkent (Psalm 150) en Liesbeth Goedbloed (Palm 103) voor de eerste elf opnieuw gedichte psalmen in het kader van het project ‘Psalmen van Nu’. Excuus trouwens, dat ik in de eerste twee artikelen het project van Rien van den Berg ten onrechte overdoopte in ‘Psalmen voor Nu’. Al heeft die verschrijving ook iets verhelderends, zoals in de loop van het artikel zal blijken!
Van de elf psalmen koos ik er een viertal uit, die u ook gemarkeerd afgedrukt terug vindt op deze pagina’s.
Op twee van de vier ga ik wat breder in en zet ze aan tegen de onberijmde versie van het NBG en ‘onze’ psalmberijming uit het Liedboek.
De laatste vergelijking heeft bovendien dit aardige, dat je eens aandachtig kunt lezen, wat we zelf zoal wekelijks zingen.
Rijmdwang
Wat wilde Rien van den Berg ook al weer met zijn ‘Psalmen van Nu’? Het moest in hedendaagse taal, vrijer in de omgang met het rijm en de te zingen psalm moest zo dicht mogelijk in buurt blijven van de grondtekst. Dat laatste niet alleen qua inhoud, maar zo mogelijk ook in de vorm. Bij Psalm 8 zal niemand de aandacht voor de vorm kunnen ontgaan, gezien de keurig apart gezette openings- en slotregel van de psalm. Al zingend zul je ongetwijfeld horen hoe de lofprijzing de rest van het lied omsluit. Prachtig!
Vervolgens merk je, dat Van den Berg in het middendeel de onberijmde tekst zorgvuldig volgt. En dat in heldere taal, waarop weinig valt af te dingen (misschien sterrenpracht i.p.v.
sterrenlucht).
Maar jammer vind ik, dat Van den Berg zo stug vasthoudt aan het eindrijm, wat vooral in de slotregels ongelukkig uitpakt. De rijmdwang levert op de valreep twee zinnen op, waarvan ik de eerste ronduit lelijk en de tweede weinigzeggend vind (al wat er leeft in de natuur daarbij / ja, wat er ook maar in het water is). Ik moet bij die tweede zin tenminste verdraaid lang turen om de vreemde gedrochten voor ogen te krijgen, die in de duistere diepzee hun weg zoeken.
En met die nauwelijks waarneembare schepselen eindigt de onberijmde tekst, waar het begon met tamme huisdieren, die de mens nog aardig in de hand weet te houden.
Alleen al die mysterieuze onderkant van de schepping nodigt uit om Gods heerlijkheid te bezingen met de eerste en laatste regel van de psalm.
De genoemde slotregels van Van den Berg prikkelen daartoe nauwelijks.
Waarom heeft hij - ook in het licht van zijn eigen suggesties - zo strikt vastgehouden aan het eindrijm, denk je dan. Ook al eerder trouwens, bij de regel ‘Haast God gelijk, zo maakte u zijn leven’. Daar vind ik de IKB beter, omdat het niet zozeer over ‘het leven’ van de mens gaat, maar over zijn positie in de schepping.
Toen en Nu
De boeiendste van de vier laatste zinnen van het middendeel is natuurlijk die over de schapen op de dijk, waarmee Van den Berg Psalm 8 met één draai aan het stuur in het platte polderland parkeert. Maar in het licht van het totaal van de psalm is het de vraag of zo’n incidentele zin wel kan.
Terwijl er omgekeerd weer weinig was gekomen van het voornemen om zo dicht mogelijk bij de grondtekst (en sfeer!) te blijven, als de rest van de psalm ook zo naar onze situatie zou zijn toegeschreven. Op zulke momenten proef je de spanning tussen ‘Psalmen van Toen’ en ‘Psalmen van Nu’.
Vrijer
Vaker nog voel je die spanning bij de voorstellen van Menno van der Beek.
Zijn omgang met de onberijmde tekst is doorgaans ook een stuk vrijer dan die van Rien van den Berg. Soms is het zelfs ronduit parafraserend, zoals in Psalm 49. Dat levert boeiende momenten op zoals de zin ‘God is niet te koop’ (couplet 2), die duidelijk correspondeert met ‘God heeft ons gekocht’ (couplet 4). Maar de vraag bij zo’n ingekort lied is wel waarom je het niet nog een slag vrijer zou aanpakken en er een lied ‘naar aanleiding van psalm 49' van zou maken.
Dan kun je ook die ‘rijke vijanden’ uit couplet 2 vertalen naar de 21e eeuw, want nu lopen ze wat verloren in de psalm rond. Maar dan is het geen berijming meer, zou ik ongetwijfeld te horen krijgen. De vraag is of Van der Beek al parafraserend die grens ook al niet overschreden heeft.
| Psalm 8 (Psalmen van Nu) Berijming: Rien van den Berg O HEER, onze Heer, hoe heerlijk is uw naam over heel de aarde. Uw glorie laat u hemelhoog bezingen door kleine kinderen en zuigelingen. Een vesting bouwde u om hen die loeren op wraak, om al mijn vijanden de mond te snoeren. Als ik de hemel zie, dat wonder van uw hand, u bracht de maan, de sterrenlucht tot stand: wat is de mens dan, dat u aan hem denkt; het mensenkind, dat u hem aandacht schenkt? Haast God gelijk, zo maakte u zijn leven, Luister en heerlijkheid zijn hem gegeven. U maakt hem koning van wat u creëerde, en aan zijn voeten ligt wat u hem laat beheren: De schapen op de dijk, de koeien in de wei, al wat er leeft in de natuur daarbij, de lucht vol vogels, en de zee vol vis, ja, wat er ook maar in het water is. O HEER, onze Heer, hoe heerlijk is uw naam over heel de aarde. |
| Psalm 8 (NBG) 1 Voor de koorleider. Op de Gittit. Een psalm van David. O HERE, onze Here, hoe heerlijk is uw naam op de ganse aarde Gij, die uw majesteit toont aan de hemel. 2 Uit de mond van kinderen en zuigelingen hebt Gij sterkte gegrondvest, uw tegenstanders ten spijt, om vijand en wraakgierige te doen verstommen. 3 Aanschouw ik uw hemel, het werk van uw vingers, de maan en de sterren, die Gij bereid hebt: 4 Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt , en het mensenkind, dat Gij naar hem omziet? 5 Toch hebt Gij hem bijna goddelijk gemaakt, en hem met heerlijkheid en luister gekroond. 6 Gij doet hem heersen over de werken uwer handen, alles hebt Gij onder zijn voeten gelegd: 7 schapen en runderen altegader en ook de dieren des velds, 8 de vogelen des hemels en de vissen der zee, hetgeen de paden der zeeën doorkruist. 9 O HERE, onze Here, hoe heerlijk is uw naam op de ganse aarde. |
| PSALM 8 (IKB) Berijming: Willem Barnard, Jan Wit 1 HEER, onze Heer, hoe heerlijk en verheven hebt Gij uw naam op aarde uitgeschreven machtige God, Gij die uw majesteit ten hemel over ons hebt uitgebreid. 2 Wel doet de hemel hoog uw glorie blinken, maar in de mond van kindren doet Gij klinken uw machtig heil, zo maakt G'uw vijand stil en doet uw haters buigen voor uw wil. 3 Aanschouw ik 's nachts het kunstwerk van uw handen, de maan, de duizend sterren die daar branden, wat is de mens, dat Gij aan hem gedenkt, het mensenkind, dat Gij hem aandacht schenkt? 4 Gij hebt hem bijna goddelijk verheven, een kroon van eer en heerlijkheid gegeven, Gij doet hem heersen over zee en land, ja, al uw werken gaaft Gij in zijn hand. 5 Al wat er land of water heeft tot woning, het moet de mens erkennen als zijn koning: vogels en wild en al 't geduldig vee en wat er wemelt in de wijde zee. 6 HEER, onze Heer, hoe heerlijk en verheven hebt Gij uw naam op aarde uitgeschreven Heer, onze God, hoe vol van majesteit hebt Gij uw naam op aarde uitgebreid. |
| Psalm 49 (Psalmen van Nu) Berijming: Menno van der Beek Dit is een lied, bewoners van de aarde voor iedereen. Voor armen en voor rijken; ik heb veel wijze woorden aangehoord en dit is het geworden. Luister maar. Waarom zou ik in slechte tijden bang zijn? En moet ik rijke vijanden ontlopen? Hoe rijk iemand ook is, uiteindelijk sterft iedereen. En God is niet te koop. Ook wie verstandig is, moet eenmaal sterven en wat hij heeft zal iemand anders erven. Met wie naar geld of roem zoekt loopt het af als met een dier, diep in een donker graf. De mensen die alleen zichzelf geloven die blijven dood. Zij komen niet meer boven; wie eerlijk leefden, die staan ooit weer op zodra het licht wordt. God heeft ons gekocht. Wees niet jaloers op rijkdom. Die blijft achter. Het is maar geld. Zo zijn hele geslachten verdwenen in de nacht. De rijke dwaas blijft niet bestaan. Zal als een beest vergaan. |
In de volgende Opbouw een vierde en laatste bijdrage over de psalmen van ds.
Gerkema, met aandacht voor de psalmen 4, 23 en 73 van het project 'Psalmen van Nu'.