Heldere taal
2003-08-01
Sprak Jezus heldere taal? Dat mag je hopen. Toch komen in de evangeliën tal van plaatsen voor waarin Hij door zijn hoorders niet goed begrepen werd, vooral bij het vierde evangelie.- Jaargang 47
- nummer 15
Het is interessant om de keren dat de Here Jezus volgens het evangelie van Johannes bij zijn gehoor op misverstand stuitte op een rijtje te zetten.
Dat gebeurt in dit artikel. In een vervolg in de volgende Opbouw worden hier enkele lessen uit geleerd.
In de eerste drie evangeliën kom je dat misverstand ook wel tegen, bijvoorbeeld als Jezus waarschuwt tegen de zuurdesem van de farizeeërs en van Herodes en de discipelen denken dat de Meester hen verwijt dat ze geen broden hebben meegenomen (Marc. 8: 15 – 16), of als je denkt aan het pijnlijke misverstand over het kopen van een zwaard dat door de jongeren letterlijk wordt opgevat (Luc. 22: 36 – 38). Bij de vierde evangelist echter komt het veel vaker voor en lijkt dat misverstand gethematiseerd te worden.
Wat zijn de plaatsen bij Johannes waar de woorden van Jezus niet goed verstaan werden? Dat zijn de volgende drieëntwintig gevallen.
1) Het begint met het woord van de Heiland bij de tempelreiniging: ‘Breekt deze tempel af en ik zal hem in drie dagen doen herrijzen’.
Waarop de Joden zeggen: ’Zesenveertig jaar is over deze tempel gebouwd en Gij zult hem in drie dagen doen herrijzen?’ Maar Jezus sprak van de tempel zijns lichaams. Toen Hij dan opgewekt was uit de doden herinnerden de discipelen zich dat Hij dit gezegd had… (Joh. 2: 19 – 22).
2) Overbekend is natuurlijk het voorbeeld uit het gesprek tussen Jezus en Nicodemus. Jezus: ‘Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, tenzij iemand wederom geboren wordt, kan hij het koninkrijk Gods niet zien’.
Nicodemus: ‘Hoe kan een mens geboren worden als hij oud is? Kan hij dan voor de tweede maal de moederschoot ingaan en geboren worden?’ Jezus: ‘Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, tenzij iemand geboren wordt uit water en geest, kan hij het koninkrijk Gods niet binnengaan’ (Joh. 3: 3 – 5).
3) In het gesprek met de Samaritaanse zegt Jezus: ‘Een ieder die van dit water drinkt zal weer dorst krijgen, maar wie gedronken heeft van het water dat Ik hem zal geven, zal geen dorst krijgen in eeuwigheid…’ De vrouw antwoordt: ‘Here, geef mij dit water, opdat ik geen dorst heb en niet hierheen behoef te gaan om te putten’ (Joh. 4: 13 – 15).
4) In datzelfde hoofdstuk komen de jongeren naar de Meester en sporen Hem aan voedsel te nemen.
Jezus zegt: ‘Ik heb een spijs te eten waarvan gij niet weet’. De discipelen: ‘Iemand heeft Hem toch niet te eten gebracht?’ Jezus: ‘Mijn spijze is de wil te doen van Hem die Mij gezonden heeft en zijn werk te volbrengen’ (Joh. 4: 31 – 34).
5) Bij de broodvermenigvuldiging spreekt de Heiland: ‘Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, niet Mozes heeft u het brood uit de hemel gegeven, maar mijn Vader geeft u het ware brood uit de hemel; want dat is het brood Gods, dat uit de hemel neerdaalt en aan de wereld het leven geeft’. De Joden zeggen, net als de Samaritaanse vrouw, terug: ‘Here, geef ons altijd dit brood’. Jezus: ’Ik ben het brood des levens…’ (Joh. 6: 32 – 35).
6) Als Jezus dan verder zegt dat het brood dat Hij zal geven zijn vlees is voor het leven der wereld, geven de Joden, denkend dat Jezus tot kannibalisme aanspoort, terug: ‘Hoe kan deze ons zijn vlees te eten geven?’, waarop Jezus antwoordt: ‘Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, tenzij gij het vlees van de Zoon des mensen eet en zijn bloed drinkt, hebt gij geen leven in uzelf…want mijn vlees is ware spijs en mijn bloed is ware drank’ (Joh. 6: 51 – 55).
7) Jezus zegt in zijn gesprek met de Joden: ‘Gij zult Mij zoeken en niet vinden en waar Ik ben kunt gij niet komen’. De Joden dan zeiden tot elkander: ‘Waar zal deze heengaan, dat wij Hem niet zullen kunnen vinden?
Hij is toch niet van plan naar de Griekse verstrooiing te gaan en de Grieken te leren? Wat is dit voor een woord dat Hij gesproken heeft: Gij zult Mij zoeken en niet vinden, en: Waar Ik ben kunt gij niet komen?’(Joh. 7: 34 – 36).
8) Nog eens zegt Jezus: ‘Waar Ik heenga kunt gij niet komen’. De Joden: ‘Hij zal toch geen zelfmoord plegen, dat Hij zegt: waar Ik heenga kunt gij niet komen?’ En Jezus: ‘Gij zijt van beneden, Ik ben van boven; gij zijt van deze wereld, Ik ben niet van deze wereld’ (Joh. 8: 21 – 23).
9) Jezus, nog steeds in hetzelfde gesprek: ‘…Die Mij gezonden heeft is waar, en wat Ik van Hem gehoord heb, dat spreek Ik tot de wereld’.Johannes’commentaar: ‘Zij hadden niet begrepen dat Hij tot hen van de Vader sprak’ (Joh. 8: 26–27). Overigens blijkt dat misverstand hier niet uit hun gesproken woorden. Ook komt er geen verduidelijkend woord van Jezus achteraan, tenzij we vers 28 als zodanig mogen beschouwen.
10) Jezus, bij een nieuwe wending in het gesprek: ‘Als gij in mijn woord blijft, zijt gij waarlijk discipelen van Mij en gij zult de waarheid verstaan en de waarheid zal u vrijmaken’, waarop de Joden antwoorden: ‘Wij zijn Abrahams nageslacht en zijn nooit iemands slaven geweest’. Daarop antwoordt Jezus: ‘Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, wie de zonde doet is een slaaf der zonde…Wanneer de Zoon u zal hebben vrijgemaakt, zult gij waarlijk vrij zijn’ (Joh. 8: 31 – 36).
11) Jezus: ‘Wat Ik gezien heb bij de Vader, spreek Ik; zo doet ook gij wat gij van uw vader gehoord hebt’, waarop de Joden antwoorden: ‘Onze vader is Abraham’.
Hierop zegt de Here: ‘Indien gij kinderen van Abraham zijt, doet dan de werken van Abraham…’ (Joh. 8: 38 – 39).
12) Jezus nogmaals: ‘Gij doet de werken van uw vader’. Beledigd antwoorden de Joden: ‘Wij zijn niet uit hoererij geboren, wij hebben één Vader, God’, waarop Jezus riposteert: ‘Indien God uw Vader was, zoudt gij Mij liefhebben, want Ik ben van God uitgegaan en gekomen …Waarom begrijpt gij niet wat Ik zeg? Omdat gij mijn woord niet kunt horen. Gij hebt de duivel tot Vader en wilt de begeerte van uw vader doen’ (Joh. 8: 41 – 44).
13) Jezus nog steeds in hetzelfde gesprek: ‘Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, indien iemand mijn woord bewaard heeft, zal hij de dood in eeuwigheid niet aanschouwen’.
De Joden zeiden tot Hem: ‘Nu weten wij dat Gij bezeten zijt.
Abraham is gestorven en ook de profeten … Gij zijt toch niet meer dan onze vader Abraham die gestorven is? Ook de profeten zijn gestorven; voor wie houdt Gij Uzelf?’ Jezus antwoordde: ‘Als Ik mijzelf eer betekent mijn eer niets …’ (Joh. 8: 51 – 54).
14) Jezus: ‘Uw vader Abraham heeft zich erop verheugd mijn dag te zien en hij heeft die gezien en zich verblijd’. De Joden: ‘Gij zijt nog geen vijftig jaar en hebt gij Abraham gezien?’ Jezus: ‘Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Eer Abraham was ben Ik’ (Joh. 8: 56 – 58).
15) Bij de blindgeborene zegt Jezus: ‘Tot een oordeel ben Ik in deze wereld gekomen, opdat wie niet zien zien mogen en wie zien blind worden’, waarop de Farizeeërs, niet begrijpend dat Jezus op een diepere betekenis van blind zijn overgestapt is, vragen: ‘Zijn wij soms ook blind?’ ‘Indien gij blind waart’, zegt Jezus terug, ‘zoudt gij geen zonde hebben; maar nu zegt gij: Wij zien; daarom blijft uw zonde’ (Joh. 9: 39 – 41).
16) Bij de gelijkenis van de Goede Herder maakt de evangelist Johannes deze opmerking: ‘In dit beeld sprak Jezus tot hen, maar zij begrepen niet wat het was dat Hij tot hen sprak (Joh. 10: 8). Het is een voorbeeld van niet begrijpen, meer dan door een antwoord blijk geven van verkeerd begrijpen.
17) Jezus tot zijn discipelen: ‘Lazarus onze vriend is ingeslapen, maar ik ga daarheen om hem uit de slaap te wekken’. De discipelen dan zeiden tot Hem: ‘Here, als hij slaapt zal hij herstellen’. Doch Jezus had het bedoeld van zijn dood, terwijl zij meenden dat Hij het van de rust van de slaap bedoeld had’ (Joh. 11: 11 – 13).
18) Uit dezelfde geschiedenis: Jezus zegt tegen Martha: ‘Uw broeder zal opstaan’. Martha tegen Jezus: ‘Ik weet dat hij zal opstaan bij de opstanding ten jongsten dage’. Jezus zei: ‘Ik ben de opstanding en het leven…’ (Joh. 11: 23 – 25).
19) ‘…En als Ik van de aarde verhoogd ben, zal Ik allen tot Mij trekken. (…) De schare dan antwoordde Hem: Wij hebben uit de wet gehoord dat de Christus tot in eeuwigheid blijft; hoe kunt Gij dan zeggen dat de Zoon des mensen moet verhoogd worden? Wie is deze Zoon des mensen?
Jezus dan zeide tot hen: Nog een korte tijd is het licht onder u.
Wandelt terwijl gij het licht hebt, opdat de duisternis u niet overvalle…’ (Joh. 12: 34 – 35). Hoewel het hier meer gaat over een niet verstaan dan om een misverstaan, rekenen we deze passage toch tot onze verzameling. Wat Jezus op hun niet begrijpen terugzegt is niet langer een verduidelijking maar een waarschuwing.
Daaruit valt op te maken dat Jezus de verstaansmoeilijkheid van de Joden niet langer serieus neemt. Ze verdoen er hun tijd mee.
20) Over het verband tussen Jezus’ intocht in Jeruzalem en de profetie van Zacharia 9: 9 zegt de evangelist: ‘Dit begrepen zijn discipelen aanvankelijk niet, maar toen Jezus verheerlijkt was, toen herinnerden zij zich dat dit met het oog op Hem geschreven was…’ (Joh. 12: 16). Ook dit is een voor beeld van niet verstaan. Ook hier spreken de jongeren niet een woord waaruit hun niet verstaan blijkt en komt Jezus niet met een woord van verduidelijking. De passage lijkt op die van Joh. 2: 19 – 22.
21) Jezus tegen Judas: ‘Wat gij doen wilt doe het met spoed’. Maar niemand van de aanliggenden begreep waartoe Hij hem dit zeide; want sommigen meenden dat Jezus, omdat Judas de kas hield, tot hem zeide: ‘Koop wat we nodig hebben voor het feest’, of dat hij iets aan de armen moest geven (Joh. 13: 27-29). Dit is een voorbeeld van niet verstaan, gecombineerd met verkeerd verstaan. Jezus verduidelijkt zich hier niet.
22) Net als de Joden (Joh. 7: 35 en 8: 22) begrijpen ook de jongeren het woord van Jezus ‘Waar ik heenga kunt gij niet komen’ niet, getuige de vraag van Petrus: ‘Here, waar gaat Gij heen?’ Hij wil Jezus volgen, maar de Here zegt dat dit nu niet kan: ‘Gij zult later volgen’ (Joh. 13: 33 en 36). In hfst 21: 19 komt de Here daarop terug met zijn bevel aan Petrus: ‘Volg Mij!’
23) Jezus tot Petrus die naar de toekomst van Johannes vraagt: ‘Indien Ik wil dat hij blijft totdat Ik kom, wat gaat het u aan? Volg gij Mij’. Dit gerucht ging dan uit onder de broeders, dat die discipel niet sterven zou; doch Jezus had niet tot hem gezegd dat hij niet sterven zou, maar: indien Ik wil dat hij blijft totdat Ik kom, wat gaat het u aan?’ (Joh. 21: 22 – 23).
Het is hier niet Jezus maar de evangelist die een woord van verduidelijking spreekt, kennelijk omdat het misverstand van later datum is.