Sprankelende gedachten over de psalmen
2003-08-01
Met ongelofelijk veel plezier heb ik het boekje van C.S.Lewis over de psalmen weer eens gelezen. De laatste keer was misschien wel twintig jaar terug en dat kan ook gemakkelijk, want Lewis vertrouwde zijn bespiegelingen over de psalmen in 1958 aan het papier toe.- Jaargang 47
- nummer 15
Vorig jaar verscheen er een heruitgave in een heel plezierige vertaling van Arend Smilde en met een omslag, waarachter je niet zoveel twinkelende gedachten zou vermoeden. Lewis weet speels, flitsend, confronterend en ontroerend de werkelijkheid van het psalmboek dichterbij te brengen.
En steeds voel je daarbij, dat ons leven hier en nu in geding is, soms weldadig en hartverwarmend, dan weer ontmaskerend.
Een kleine greep als prikkel om het boekje zelf eens te lezen.
Doe mij recht
Tegen de christelijke achtergrond van de ‘rechtvaardiging van de goddeloze door het geloof’ verbaasde Lewis zich aanvankelijk over de steeds terugkerende bede om recht, oordeel en wraak in de psalmen, waarbij de aanklager doorgaans ook zijn eigen onschuld beklemtoont.
Bij nadere beschouwing kwam Lewis tot de onderscheiding tussen ‘rechtvaardig voor God zijn’ en ‘het recht aan je zijde hebben’. In de psalmen gaat het veelal over dat laatste, maar de verwondering van christenen komt doordat ze de psalmen lezen vanuit de christelijke rechtvaardigingsleer, waarin het gaat om rechtvaardigheid voor God.
Boeiend is Lewis hoofdstuk over de wraakpsalmen. Hij loopt helemaal mee in deze (voor moderne oren) extreme uitingen, maar zet er vervolgens tal van gedachten tegenaan.
Bijvoorbeeld die van het alternatief van de onverschilligheid over het kwaad. Of ook de diepe gekwetstheid, die achter die schreeuw om wraak schuil gaat - wie is de mens, die een ander tot zo’n wraakzuchtig gebed brengt?
Buurvolken
Op meer dan één plaats viel me op dat Lewis het bijbels getuigenis vanuit de achtergrond van de godsdiensten van de buurvolken belicht. In vergelijking met de godsdienst van Egypte (denk aan de piramiden) is de betrekkelijk geringe aandacht voor de dood in de psalmen (en het Oude Testament) opvallend. Redding van de dood is in de psalmen ook steeds redding voor-de-dood-weg, dus redding aan deze kant van de streep. Lewis ziet die geringe aandacht voor het leven na dit leven als een geestelijke training om God lief te hebben om God zelf (en niet vanwege het profijt van b.v. het eeuwige leven, vgl. Gezang 406). Opvallend is inderdaad dat, als je door de psalmen in de sfeer van leven tot in eeuwigheid wordt gebracht, dit perspectief heel nauw verbonden is met de aanwezigheid van God zelf (Psalm 23, 133). Ergens schrijft Lewis: ‘De psalmdichters kenden veel minder redenen dan wij om God lief te hebben. Ze wisten niet dat Hij hun eeuwige vreugde bood, laat staan dat Hij sterven zou om het voor hen te verwerven. Maar toch getuigen ze van een verlangen naar Hem, naar zijn aanwezigheid, dat alleen de beste christenen hebben of alleen christenen in hun beste momenten’ (p.42).
Psalm 19
Psalm 19 is voor Lewis het mooiste gedicht uit het psalmboek, met zijn zes verzen over de natuur, vijf over de wet en vier verzen persoonlijk gebed.
Ook als Lewis het heeft over ‘wet’ en ‘natuur’ spelen de buurvolken op de achtergrond mee. De vreugde over de wet verheldert Lewis met de soms bizarre godsdienstige uitingen als tempelprostitutie en kinderoffers in de wereld rondom Israël. Dan komt de wet op je toe als ‘helder, streng, ontsmettend en triomfantelijk’, zo schrijft Lewis. Alle reden voor gevoelens van bevrijding en vreugde!
Als het gaat over de natuur komt de bijbel met een ondubbelzinnige scheppingsleer, waarbij God Schepper is en de natuur schepsel. Lewis stelt, dat die ontgoddelijking van de natuur verrassend genoeg ruimte maakt voor de aanbidding van Gods scheppingskracht en zo wordt de natuur veel meer draagster van boodschappen, dan binnen het heidendom mogelijk zou zijn (p.66).
Parels
Lewis komt ook in dit boek met twinkelende gedachten, zowel over de psalmen als over het hier en nu. Over het loflied bijvoorbeeld en de weerzin die hij aanvankelijk had als het ging om het loven van God. Maar in een later moment nam hij waar hoe ‘de wereld galmt en gonst van lofprijzing.
Minnaars bezingen hun geliefde, lezers hun lievelingsdichters ...’ (p.73).
De laatste hoofdstukken gaan over de dubbele bodems in de psalmen. De apostelen (en ten diepste de Heer zelf al) brengen je bij het messiaans geheimenis, dat ook in het Oude Testament in al zijn gelaagdheid zichtbaar was geworden (psalm 8, 22, 45, 68,110).
Zo rondwandelend in de psalmen vind ik Lewis op zijn best, met steeds weer die nieuwe invalshoeken en spankelende gedachten. Zoals dat allerlaatste over tijd en eeuwigheid, naar aanleiding van psalm 90. ‘ ... we zijn zo weinig verzoend met de tijd dat we ons er over blijven verbazen. ‘Wat isie groot geworden!’, roepen we, ‘Waar blijft de tijd!’ ... Dit is net zo vreemd als wanneer een vis zich keer op keer over de natheid van het water zou verbazen. Dat zou zeker vreemd zijntenzij de vis bestemd was om ooit een landdier te worden’.
C.S.Lewis, Gedachten over de Psalmen; Uitgeverij Van Wijnen, Franeker. Prijs€7,95