Vrouwen niet weren als ouderling of predikant
2003-08-29
De ambten van ouderling en predikant kunnen ook voor zusters worden opengesteld. Dat concludeert een commissie, die de Landelijke Vergadering van onze kerken in 2004 in Lelystad adviseert. Zij vindt dat het, net als met de vrouwelijke diaken, tot de christelijke vrijheid van gemeenten kan horen om vrouwelijke ouderlingen en predikanten te benoemen.- Jaargang 47
- nummer 17
Volgens de commissie hoeft een keus voor of tegen niet ‘bijbels’ of ‘onbijbels’ te zijn. Zij vertaalt daarvoor het onderwijs van Paulus in Romeinen 14:1-15:7. ‘Wie voor de vrouw in het ambt is, minachte hem niet die tegen de vrouw in het ambt is; en wie tegen de vrouw in het ambt is oordele hem niet die wel voor de vrouw in het ambt is, want God heeft hem aanvaard.
Deze is voor, gene tegen de vrouw in het ambt. Ieder zij voor zijn eigen besef ten volle overtuigd. Wie voor is, doet het om de Here en wie tegen is doet het om de Here, want hij dankt God; en wie niet voor is, laat het na om de Here en ook hij dankt God. Want het Koninkrijk van God bestaat niet in voor
of tegen de vrouw in het ambt, maar in vrede gerechtigheid en blijdschap door de Heilige Geest.’
Ambtsopvatting
Aanleiding voor instelling van de commissie op de LV in Doorn 1998 was een brief van de CGK/NGK kerk in Arnhem, waarin werd gevraagd benoeming van vrouwelijke ouderlingen en predikanten in de vrijheid van de kerken te laten.
Voornaamste aandachtspunt voor de commissie was de uitleg en het verstaan van de belangrijkste bijbelteksten over dit onderwerp. Wat betreft het ambt sloot zij zich aan bij de gangbare opvatting, dat vervullers van een ambt een zeker gezag uitoefenen en leiding geven.
Eva en Adam
De reacties van tal van gemeenten overziend, concludeert de commissie dat tegenstanders een lijn trekken van Genesis 1-3 naar de ‘zwijgteksten’ in het Nieuwe Testament en daaruit concluderen dat de vrouw geen ambtsdrager mag zijn. Voorstanders trekken een lijn van Genesis 1-3, via Joël 2, naar de deelname van vele vrouwen aan de dienst des Heren in het Nieuwe Testament.
Over Genesis 1-3 stelt de commissie, dat daar niet onomwonden uit kan worden opgemaakt dat de eerst geschapen man boven de vrouw staat.
Zij verwijst naar andere voorbeelden (Jakob en Esau, Ruben en Jozef), waarin God niet automatisch voor de eerstgeborene kiest. ‘Dit diep in de heilsopenbaring verankerde gegeven moet ons buitengewoon terughoudend maken om aan het als eerste geschapen zijn van de man-mens de consequentie te verbinden dat hiermee voor eens en altijd de verhouding tussen man en vrouw bepaald is.’ Dat betekent niet dat tegenstanders in deze teksten geen grond voor hun overtuiging kunnen vinden, maar wel dat ‘het laatste woord over de man-vrouwverhouding nog niet gesproken is’.
Ook bij andere teksten (1 Korinthe 11:2-16, 1 Korinthe 14:34-35 en 1 Tim. 2:11-15) eindigt voor de commissie de ‘strijd’ vaak onbeslist. ‘Juist ons uitgangspunt – zorgvuldig luisteren naar de Schriften – levert als resultaat, dat duidelijkheid en eenduidigheid niet zijn gevonden. We beseffen dat deze conclusie iets onbevredigends, mogelijk zelfs iets teleurstellends heeft. Een duidelijke exegetische positiebepaling zou meer helderheid hebben gebracht.
Om zo’n eenduidigheid te bereiken, zouden we als commissie echter ons “exegetische geweten” geweld hebben moeten aandoen.’ En daarom gaat de commissie over van uitleg (exegese) naar verstaan (hermeneutiek). Ofwel: wat is het karakter van de Schrift en wat mogen wij wel en niet van de bijbel verwachten?
Context van belang
De commissie kenschetst exegese als het ‘handwerk’, waarin de betekenis van een tekst voor de tijd waarin hij werd geschreven wordt bepaald met behulp van grammatica, concordantie, woordenboeken, commentaren en kennis van de historische, sociale en culturele achtergronden. Dus: wat staat er? Vervolgens is de (hermeneutische) vraag: wat betekent dat voor ons en onze tijd?
Op dat spoor heeft de commissie zich afgevraagd wat de context is van de bijbelse voorschriften en vooral die van Paulus als het gaat om de plaats van de vrouw in de gemeente en welke rol de ‘scheppingsorde’ daarin speelt.
Als voorbeelden van context noemt de commissie onder meer de grote rol van families in Israël en het belang van mannelijk nageslacht. Zowel in Oude als Nieuwe Testament speelt de man een maatschappelijke hoofdrol.
Ook bevat de bijbel – naast de Tien Geboden – veel wetgeving rond een bepaalde situatie. ‘Evenals in die wetgeving is ook in het Nieuwe Testament sprake van een stempel dat de situatie op de voorschriften zet. Dat heeft er ook mee te maken, dat veel voorschriften in brieven staan. En hoewel de betekenis van die brieven ver uitstijgt boven de situatie waarin zij zijn geschreven, blijven het brieven, die in concrete situaties hun aanleiding vonden.’ Daaruit concludeert de commissie, dat elk voorschrift moet worden uitgelegd binnen de culturele (en heilshistorische) situatie waarin het is gegeven.
Bovendien is er zo’n nauwe verwevenheid tussen tal van voorschriften en de context, dat rechtstreekse toepassing nu onmogelijk of ongewenst is. Dat geldt bijvoorbeeld voor het zwagerhuwelijk uit Genesis 38 en Ruth en voor Paulus’ instructie aan Timotheüs dat jonge weduwen moeten trouwen.
Wat niet wil zeggen, dat dit alle problemen oplost: ‘Het Woord van God komt tot ons in het gewaad van de oudoosterse cultuur, maar die cultuur is geen jasje dat zomaar kan worden uitgedaan.’ Maar als Gods Woord is doorgekomen in een antieke, patriarchale cultuur, dan kan het ook doorkomen in onze geëmancipeerde samenleving, meent de commissie.
De scheppingsorde krijgt in deze benadering minder nadruk. De commissie onderbouwt dat met twee stellingen:
1. Een wijs mens verheugt zich in Gods geschapen orde, wil daaraan recht doen en houdt daarmee rekening bij de inrichting van het leven.
2. De door God geschapen orde kan niet normatief worden genoemd, zoals bijvoorbeeld de Tien Geboden en het dubbelgebod van de liefde normatief zijn.
Zij meent, dat een beroep op de schepping de discussie niet kan beslissen.
‘De prioriteit in de Schrift ligt daarvoor te zeer bij de voortgang van het heil in Christus. Kern van de bijbelse boodschap is niet handhaving van “scheppingsordeningen”, maar vestiging van Gods heerschappij in het leven van de mens. Ordeningen als huwelijk en ouderschap zijn daaraan
dienstbaar, maar geen doel in zichzelf.’
Beproefde ervaring
Uiteraard bezag de commissie ook de hedendaagse emancipatie. Mannen en vrouwen gaan in het huwelijk en de gemeente zeer gelijkwaardig met elkaar om en voelen zich daar wel bij.
Laat staan dat het geweten knaagt.
Ook mogen we volgens haar best meer vertrouwen op ons beoordelingsvermogen, dat Paulus in Romeinen 14: 14 verwoordt met: ‘Ik weet en ben overtuigd in de Here Jezus, dat niets uit zichzelf onrein is; alleen voor hem die iets onrein acht is het onrein.’ Onze positieve beleving van emancipatie betekent niet dat wij vervreemden van de bijbel en God ongehoorzaam zijn. ‘Het feit dat vrome christenen de veranderde man-vrouwverhouding als een weldaad ervaren, mogen we laten meewegen. Dat is geen waan van de dag, maar steunt op beproefde ervaringen.’
Paulus' visie
Zo bekijkt de commissie ook de twee ‘hardste verbodsteksten’ van Paulus in 1 Korinthe 11 en 1 Timotheüs 2. Zij concludeert, dat rechtstreekse toepassing van deze voorschriften geen voorschrift van de Here is en tevens onmogelijk, onnodig en ongewenst is.
Dat betekent niet dat de commissie lichtvaardig met de autoriteit van de bijbel omgaat, maar zij meent dat 1 Korinthe 11: 3 – ‘Het hoofd van iedere man is Christus, het hoofd der vrouw is de man en het hoofd van Christus is God’ – het meest wezenlijke beschrijft van Paulus’ visie op man en vrouw.
‘Man en vrouw mogen samen mens zijn op het hoogste niveau en krijgen de ruimte om in de nauwste onderlinge verbondenheid de ander een heel eigen rol te laten vervullen. De bijzondere verhouding waarin God en Christus tot elkaar staan, mag voor man en vrouw het oriëntatiepunt zijn. Tegelijk wordt een perspectief op hun onderlinge functioneren geboden, dat bestand is tegen de tand én de geest des tijds!’
Apart behandelen
Als de LV het advies overneemt, adviseert de commissie de toelating tot de beide ambten apart te behandelen.
Ouderlingen werken vooral lokaal, maar predikanten gaan ook in andere gemeenten voor. Tevens gelden voor predikanten tal van regels voor onder meer kerkelijke examens en rechtspositionele regelingen. De LV zou daarom voor de vrouwelijke predikant een nieuwe commissie kunnen instellen om die kwestie goed uit te spitten.
De commissie sluit niet uit, dat instemming met het advies leidt tot extra problemen in de samenwerking met de Christelijke Gereformeerde (en Vrijgemaakte) kerken.
De volledige tekst van het advies is te vinden op de site www.ngk.nl.