Een ellendig verhaal

2003-08-29
  • Jaargang 47
  • nummer 17
Brief
Laat ik om te beginnen eens een typerend voorbeeld noemen. Ik ontleen het aan een lange brief, geschreven door de vrouw van een ex-diaken. Ik citeer een paar gedeelten uit haar brief, andere vat ik samen.
De man en de vrouw werken beiden in de hulpverlening, waardoor ze soms ook op zondag moeten werken en dan niet naar de kerk kunnen.
Ze kregen drie kinderen; de vrouw bleef doorwerken, op de dagen dat haar man vrij was.
In een periode dat de vrouw vaak ziek was hebben ze bij de kerk (een soort zusterhulp) aangeklopt; maar daar werden ze afgewezen omdat ze nog zo jong waren en hulp dus niet nodig was. Toch heeft haar man zich – toen hij gekozen werd als diaken - met veel enthousiasme ingezet voor zijn werk binnen de kerk. Dat enthousiasme kwam wel danig onder druk te staan, toen hem door mede-ambtsdragers (en met name door ouderlingen) te verstaan werd gegeven dat hij nooit ouderling zou kunnen worden, omdat hij te vaak kerkdiensten moest verzuimen.
Zelfs zijn diakenschap vonden ze dubieus.
Toen de kinderen opgroeiden is één van hen op school, op catechisatie, en op de jeugdvereniging ontzettend gepest door een andere jongen uit de kerk. 'Door zijn ervaringen heeft hij een hekel aan jongeren die zich inzetten in de kerk. Hij vindt ze achterbaks en wereldvreemd. Dezelfde jongens die hem zo treiterden zijn zeer actieve kerkleden.' Deze ervaringen, zowel van de kant van mede-ambtsdragers als door het zien dat je kind lijdt aan de sfeer in de kerk, maakten dat de man het als een opluchting heeft ervaren dat hij voorlopig niet meer naar de kerk ‘hoefde’.
Later heeft het gezin de kerkelijke draad weer opgepakt, maar het verdriet en de emotionele beschadigingen uit het verleden bleven knagen.
Na enkele jaren kreeg de man een andere baan. Het gezin verhuisde naar een stad in een ander deel van het land. 'Als afscheid kregen we nog ouderlingbezoek en dat was de druppel. Ik weet niet meer precies hoe het ging maar op een gegeven moment zei hij dat het niet de bedoeling was om alleen maar te consumeren in een kerk, je moest je ook inzetten. Ik had daarvoor uitgelegd dat ik weinig ener-
gie heb door allerlei lichamelijke problemen.
En mijn man heeft – door zijn werk in de hulpverlening - wisselende werktijden en moet ook op zondag werken. Die opmerking over dat consumeren kwam hard aan en werd als liefdeloos ervaren.
Onze attestatie werd vergezeld door een brief dat dit geen bewijs van goed gedrag was. Toen had ik het gehad met de kerk.' Tot zover deze brief.

Ouderling
Voordat we hier nu ons oordeel over uitspreken, zou ik zeggen: laten we ons even verplaatsen in die ouderling die ten afscheid op bezoek moest bij deze mensen. Die man heeft blijkbaar - net als de rest van de kerkenraad trouwens, getuige de brief bij de attestatie - zich een bepaald beeld gevormd van deze mensen. En nu moet die ouderling, voor de laatste keer, naar hen toe. En vanuit dat - foute - beeld dat hij heeft, voelt hij zich in alle oprechtheid geroepen om hen nog iets mee te geven. Hij is misschien ook bang dat deze mensen anders straks, na de verhuizing, zich niet weer bij een kerk zullen aansluiten. Stellig heeft de man opgezien tegen dit bezoek, hij zal gebeden hebben om kracht en wijsheid om datgene te doen wat hij meent te moeten doen - en wrang genoeg is de uitkomst precies het omgekeerde van wat hij had gewild en gehoopt.
De man is ‘s avonds thuisgekomen, en z’n vrouw merkte het direct: hij heeft het moeilijk; zeker een zwaar bezoek gehad; wat zijn sommige mensen toch moeilijk...

Beeld
Wat is hier misgegaan? Nu, vrij simpel: hier heeft een (lid van de) kerkenraad zich laten leiden door een bepaald, niet kloppend beeld dat hij had gekregen van deze mensen. Hoe ontstaat zo’n beeld? Dat is altijd een combinatie van feiten en interpretaties.
Je neemt een feit waar (in dit geval: mensen zijn niet altijd in de kerk), en je geeft daar een bepaalde interpretatie aan (ze zijn niet zo meelevend, nogal consumptief ingesteld).
De waarneming is correct, de interpretatie is dat niet.
Zo ontstaan beelden die mensen hebben over elkaar: een mix van feit en interpretatie. En als zo’n beeld eenmaal gevormd is, is er blijkbaar ook nauwelijks nog een mogelijkheid om daar verandering in aan te brengen.
Zie in het verhaal hierboven het verbijsterende gegeven dat de vrouw net nog had uitgelegd dat ze door lichamelijke oorzaken nog steeds maar weinig energie heeft. Dat is blijkbaar niet overgekomen bij de ouderling.
Misschien wel omdat hij nerveus zat te wachten op een mogelijkheid om nu eindelijk eens datgene te zeggen waarvoor hij toch eigenlijk wel gekomen was.
Al met al: een behoorlijk triest verhaal, met aan het eind eigenlijk alleen maar teleurgestelde verliezers.
Móét het zo? Is dit een soort noodlot voor de kerk en haar vertegenwoordigers?
Of kan het ook anders?
Daarover gaan we de komende weken verder.

Toch
Nog eenmaal terug naar de brief (of eigenlijk twee brieven) van de hierboven geciteerde vrouw van de ex-diaken.
Na alle ellende en missers die erin vermeld staan, mag het wel een wonder heten om aan het eind te lezen: 'Ik wil heel graag dat het goed gaat met de kerken en dat ze steeds voller worden. Ik lees met veel plezier over bomvolle jeugddiensten en zeer grote gemeenten in Amerika.'

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief