Hoe vier je het Avondmaal?

2003-09-12
  • Jaargang 47
  • nummer 18
We vierden op een zondag het Avondmaal.
In Ede nodigen we aan de eerste tafel eerst de asielzoekers uit, die vanwege de vertaalinstallatie bij elkaar zitten. Er waren er die dag zoveel, dat ze de halve avondmaalstafel vulden. Daarom sprak ik de inzettingswoorden ook in het Engels: ‘take this bread, it is a communion with the body of Christ’. Zelden heb ik het Avondmaal zo intens beleefd: met vluchtelingen van wie ik in zoveel opzichten verschil, een symbool delen dat ieder begreep. Ik zag de tranen in hun ogen en voelde die zelf ook. Hier is Christus!

Een mevrouw met donker haar en gebogen hoofd zag ik twee stukjes brood in haar tas stoppen en later hoorde ik dat die voor haar man en dochter waren, die ziek thuis lagen.
In stilte heb ik haar gezegend.
Tegelijk weet ik maar al te goed, dat het Avondmaal niet altijd zo positief beleefd wordt. Het duurt zo lang, de mensen kijken zo ernstig en hoe nuttig is dat hele formulier? Dat zijn allemaal echte vragen, die heus niet in mindering komen op het feit dat we geloven, dat Jezus Christus door het Avondmaal ons zwakke geloof wil versterken. Maar die praktische dingen, en de beleving ervan, die tellen wel degelijk mee.

Klassieke wijze
In Ede vieren we het avondmaal op de klassieke wijze: zittend rondom de tafel en dus meerdere tafels lang. We hebben twee morgendiensten en vorig jaar had ik een keer vier tafels in de eerste dienst en vijf tafels in de tweede dienst. In alle nuchterheid: dat gaat zo niet. Dan gaat de symboliek van een maaltijd die je met elkaar deelt, volledig verloren.
In andere kerken hoor je van moeite met het formulier. Als beginnend predikant moest ik nog wel eens ergens ‘voorbereiding preken’ en dan verzocht men mij om het formulier te lezen tot ‘Ten andere’. Dat kom ik zo niet meer tegen. Er zijn ook verschillende nieuwere, eigentijdse formulieren maar de meeste zijn toch nog steeds didactisch van aard: ze leggen het uit, ze waarschuwen voor misverstand en zo meer, maar dat is nog iets anders dan vieren. Een symbool - of zo u wilt een ritueel - moet je eigenlijk niet steeds uitleggen, maar beleven.

Werkelijke aanwezigheid
Nu ben ik van plan om over praktische kanten van de Avondmaalsviering te schrijven. Toch moet me eerst iets van hart over het inhoudelijke. Om het gevoel van matheid rondom het Avondmaal tegen te gaan lijkt het me belangrijk om in elk geval twee punten naar voren te halen: over de werkelijke aanwezigheid van Christus in het Avondmaal en over het schokkende karakter van de symboliek die Jezus gebruikt.
In de eerste plaats over de werkelijke aanwezigheid van Christus in het Avondmaal.
Voor de roomse kerk was dat natuurlijk het springende punt: de verandering van het brood in het lichaam van Christus. Nu was dat gaandeweg een bijgelovige manier van doen geworden, die op toverij ging lijken en terecht hebben de reformatoren daar afstand van genomen.
Zo’n verandering van substantie vinden we ook niet in de Bijbel. Toch moet u niet denken dat Calvijn leefde in de overtuiging van ‘wel nee, het is maar symbolisch’. Integendeel, voor hem was de werkelijke tegenwoordigheid van Christus in het Avondmaal van het grootste belang. Hij zei daarover dat Christus ‘realiter, sed spiritualiter’ aanwezig is in brood en wijn. En dat betekent: Hij is werkelijk aanwezig, maar op geestelijke wijze. Niet materieel, niet in de substantie van dat stukje brood, maar wel heel werkelijk door de Geest. Ik heb het gevoel dat onze opvatting hier af en toe nog een heel eind onder zit. Dat het alleen maar een plaatje is. In de liturgie van een onzer zusterkerken las ik zelfs de zin ‘het avondmaal illustreert, dat Christus voor ons wilde sterven’. Het illustreert. Vreselijk vind ik dat! Dan houd je inderdaad niets anders over dan een plaatje bij een praatje: een illustratie... De woorden ‘teken en zegel’ zeggen al heel wat meer en de woorden van Christus nóg meer: ‘neemt, eet, dit is mijn lichaam’.

Schokkend
En dat brengt me op het tweede punt: dat het goed is om als opnieuw te verstaan hoe schokkend het gebruikte beeld is. Zijn lichaam eten en zijn bloed drinken.
Dat is voor ieder normaal mens toch al schokkend, de heidenen in de eerste eeuwen spraken er dan ook bloedschande van. Maar nou moet je dat eens met Joodse oren beluisteren! Als er één ding duidelijk was uit Leviticus, dan wel dat een mens nooit maar dan ook nooit bloed mag eten.
Een goede Joodse moeder zal dan ook de kip na het wassen nog eens goed inspecteren of er niet een drupje bloed aan blijft zitten. En tegen mensen die zo opgevoed zijn, zei Jezus dan (Johannes 6): ‘Ik zeg u, tenzij gij het vlees van de Zoon des mensen eet en zijn bloed drinkt, hebt gij geen leven in uzelf’. Het is wel te begrijpen dat onmiddellijk daarna geschreven staat: ‘Vele dan van zijn discipelen hoorden dit en zeiden: Deze rede is hard; wie kan haar aanhoren?’ (Johannes 6:60).
Wij, die het al zo vaak gehoord hebben, moeten soms weer terug naar die schokkende ontdekking: was er zó iets vreselijks nodig voor mij?
Inderdaad, dát was voor ons nodig en tot op de huidige dag.
Philip Yancey vertelt ergens het verhaal van een man, die een belangrijke conferentie had meegemaakt. Op een mooie buitenplaats waren dertig mensen uitgenodigd: tien joodse rabbi’s, tien imams voor de Islam en tien priesters en dominees voor de christelijke kerk. Gedurende de conferentie werd er natuurlijk veel gepraat over godsdienst, over overeenkomsten en verschillen. Maar het meest indrukwekkend was, dat ze ook elkaars eredienst meemaakten. Dat komt mooi uit: de imam op vrijdag, de rabbi op zaterdag en de dominee op zondag.
Wat opviel is, dat er eigenlijk heel veel overeenkomsten zijn. In elke eredienst wordt er gelezen uit een heilig boek, er gaat iemand preken, samen ga je zingen en er wordt gebeden. Je zou er nog raar van opkijken, hoeveel er eigenlijk hetzelfde is.
Maar wat, zo vroeg de schrijver, is nu uiteindelijk het verschil? Waarin onderscheidt zich de christelijke eredienst?
Dat is in het Avondmaal. In het gebroken brood. In de woorden over ‘mijn lichaam dat gegeven is’ en ‘mijn bloed dat vergoten is’. Dàt is het onderscheid. Niet dat de christelijke dienst mooier is, of ernstiger, maar dit: het gebroken brood. De wonden van Jezus Christus. En daarom verdient het Avondmaal niet alleen in ere gehouden te worden, maar het verdient ook de beste vorm die we samen kunnen vinden.

Laagkerkelijk?
Wat nu de vorm van het Avondmaal betreft: eerder noemde ik al enkele bezwaren aan de vorm die we gewend zijn (didactisch formulier, veel tafels achter elkaar). Daarnaast kun je ook noemen, dat veel mensen tijdens de viering erg gespannen zijn en niet alleen vanwege de hoge betekenis, maar ook gewoon vanwege de vele mensen en dat je je ongemakkelijk voelt. Soms hoor ik als oplossing de suggestie om het allemaal veel gewoner en ‘laagkerkelijker’ te maken.
Gewoon een echte maaltijd waar je ongedwongen samen bent en zo de Maaltijd viert.
Ik geloof niet dat het in onze kerken in de praktijk gebracht wordt en als oplossing voor de moeiten die we met het Avondmaal ervaren zie ik er ook niks in. Het Avondmaal is nu eenmaal niet gewoon, het is het hoogheilige of het is niet.

Twee lijnen
Anderzijds is het idee van een echte maaltijd wel heel waardevol. Inderdaad lezen we van de eerste christenen dat ze geregeld samen aten en dat daarin de gemeenschap met elkaar en met Christus uitkwam. En dat gebruik gaat ook terug tot op Jezus zelf. Als Hij het Avondmaal instelt, dan is dat enerzijds het hoogtepunt van zijn onderwijs over het naderend lijden en over de gemeenschap met dat lijden door alle eeuwen heen. Maar anderzijds is het ook het verlengde van zijn gewoonte om geregeld met mensen te eten en daarbij goede gesprekken te voeren. Daar zou een verhaal apart over te schrijven zijn, over zijn maaltijden met tollenaars en met discipelen, met hoeren en met schriftgeleerden. En niet te vergeten over de reacties van de mensen daarop, die heel goed begrepen dat het om méér ging dan om het vullen van de maag.
Welnu, in Jezus’ laatste avondmaal komen die twee lijnen samen: de lijn van de persoonlijke ontmoeting met onderling gesprek en de lijn van de viering van het hoogheilige. Zeg maar de maaltijd en de Maaltijd. Ik geloof dat het allebei van groot belang is, maar dat het ons niet gauw zal lukken om die twee bij elkaar te houden.
Ik heb de indruk dat het in de Nieuwtestamentische tijd ook niet altijd samen beleefd werd. Als ik in Handelingen 20:7 lees ‘En toen wij op de eerste dag der week samengekomen waren om brood te breken, hield Paulus een toespraak tot hen’, dan maakt dat op mij de indruk van wat wij een Avondmaalsviering noemen. Terwijl je ook leest over de maaltijden die ze thuis hadden met blijdschap en eenvoud des harten, waar de ontmoeting meer centraal lijkt te staan. In 1 Corinthe 11 overigens is het wèl verbonden: de maaltijd des Heren zo uitvoerig gevierd dat als je niet uitkijkt de een hongerig is en de ander dronken...
Hoe dit ook zij, ik geloof niet dat wij die twee elementen helemaal bij elkaar kunnen houden. Dat zal met een cultuurverschil te maken hebben, maar ook met het heel gewone gegeven dat wij het Avondmaal vieren in een grote kerk met veel mensen, terwijl het oorspronkelijk bij de mensen thuis gevierd werd.
Het is echt geen wonder dat mensen in de kerk moeite hebben om het als een maaltijd te beleven, terwijl je heel positieve ervaringen hoort over een viering aan huis, bijvoorbeeld bij zieken.
Waar ik nu naar zou verlangen, dat is dat we beide lijnen uit de praktijk van Jezus en de eerste gemeente (de maaltijd en de Maaltijd) een plaats zouden weten te geven, elk op een manier die past bij zijn doel. Daarover graag de volgende keer.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief