Jezus' optreden: pastoraal-wervend
2003-09-12
Een van de laatste boeken die ik als supervisor van de Nieuwe Bijbelvertaling moest beoordelen is het evangelie volgens Johannes. Mijn algemene indruk was: ‘In de voorgestelde vertaling vind ik de 'verhalen' (1-12, 18-21) meer aanspreken dan de 'tafelrede' (13-17) – als je één en ander zo mag noemen.- Jaargang 47
- nummer 18
Sommige taferelen zijn zó ontnuchterend en ontwapenend! Van Jezus' spreken komt het hogere goed uit, beter gezegd: het andere. Hiermee bedoel ik niet het goddelijke, maar het oorspronkelijk menselijke. Het ware menselijke van 'in den beginne', het Mensenzoonlijke.
Ik denk dat dit de oorzaak is van het bijna permanente onbegrip waar Jezus bij vriend en vijand op stuit: hij sprak een taal die niemand (meer) begreep.
Juist met het oog op de 21e eeuwse doelgroep – onze kinderen en kleinkinderen! – moeten we hier heel alert op zijn. De bedoeling van Johannes is dezelfde als die van Jezus: 'opdat u door te geloven leeft in zijn naam'.’ Dit schreef ik aan het bijbelgenootschap precies twee dagen voordat Opbouw op mijn deurmat viel – met daarin het artikel van ds. H. de Jong 'Heldere taal?' over het misverstaan van Jezus' woorden in het vierde evangelie. Tijdens mijn studie heb ik me – naar aanleiding van Johannes 12:39 – speciaal met dit onderwerp bezig gehouden. Een sterk vereenvoudigd onderdeel hiervan laat ik nu volgen.
Vraag, veld en visie zijn misschien anders, maar ook bij verschillend taxeren kun je van elkaar leren.
Doel
Welke doelgroep het vierde evangelie heeft, weten we niet precies.
Johannes schrijft zijn boek 'opdat u gelooft, dat Jezus is de Christus, de Zoon van God, en opdat u gelovende, het leven hebt in zijn naam' (20:31).
Deze 'u' zijn meervoud, maar veel meer weten we al niet van hen af.
Het 'geloven' kan slaan op het blijven geloven van christenen of een gaan geloven van niet-christenen. Hoe je het ook opvat, vorm en inhoud van het evangelie worden er niet anders van. En verder dan 'u' kom je niet.
Het is de vraag of dit wel zo erg is: ieder die het hoort of leest wordt a angesproken, jij en ik bijvoorbeeld.
Welke doelstelling de vierde evangelist heeft, is in elk geval wèl duidelijk.
Hij wil dat zijn lezers en hoorders geloven en leven. Zijn doelstelling is dus niet negatief maar positief. Johannes is niet ergens tégen, hij schrijft niet polemisch.
Maar Johannes is ergens vóór, hij schrijft pastoraal. Hij wil mensen houden bij en winnen voor Jezus Christus. En dit is dan meteen voor hun eigen bestwil en in hun eigen voordeel.
In het vierde evangelie komt nergens het zelfstandige naamwoord 'geloof' voor. Des te vaker gebruikt Johannes het werkwoord 'geloven'. Het gaat hem om de daad van het geloven: dit is het werk dat God van mensen vraagt en aan mensen geeft (6:29). Met als resultaat: leven in Jezus' naam.
Geloven
Bijna honderd keer gebruikt Johannes het werkwoord. In één op de drie gevallen met een ontkenning erbij: 'niet geloven', of met een negatieve strekking. Maar meestal in de positieve betekenis van geloven. De verzen waar het werkwoord voorkomt, staan veelal in groepjes bij elkaar. Deze clusters vind je vooral in de tweede helft of aan het eind van een hoofdstuk.
Hierbij vallen twee dingen op. Eén: in de genezingsverhalen wordt niet aan het begin maar aan het eind over 'geloven' gesproken. Twee: de gesprekken van Jezus lopen altijd uit op een positief resultaat. Zowel met het geheel als in de onderdelen van zijn boek beoogt Johannes het geloof en het leven van de lezers.
Naast geloven komen ook andere woorden voor, die ongeveer dezelfde betekenis hebben. Het zijn met name werkwoorden als weten, aannemen en kennen. Ook hier overtreft het positieve gebruik het negatieve, in een verhouding van drie op twee.
Meestal staan ze in de buurt van geloven en vullen ze de clusters aan. Ook deze werkwoorden vind je vooral in de tweede helft of aan het eind van een hoofdstuk. Maar soms tref je ze ook in het begin van een hoofdstuk aan. De doelstelling van het evangelie als geheel is ook in de verschillende onderdelen gerealiseerd. Johannes beoogt met zijn evangelie hetzelfde als Jezus met zijn optreden: dat mensen geloven en leven.
Geloven heeft God, de Geest, het woord als oorsprong; leven en liefhebben als gevolg. Het kan kort en goed getypeerd worden als: vertrouwen in Jezus Christus. Geloven is een proces dat verschillende fasen doorloopt.
Dit blijkt bij de afzonderlijke personen in het vierde evangelie. Er is wel eens gezegd dat dit ook blijkt in dit boek als geheel. De achtereenvolgende geloofsbelijde-nissen zouden een stijgende lijn vertonen en uitlopen op de belijdenis van Tomas: 'Mijn Heer en mijn God'.
Combineer je de progressieve en de pastorale tendens in het vierde evangelie, dan krijg je er meer oog voor hoe Jezus bezig is mensen ertoe te bewegen in Hem te geloven. De herder roept zijn schapen, leidt hen naar buiten en gaat voor hen uit. Zij kennen zijn stem en volgen Hem (10).
Twee sprekende voorbeelden zijn in dit verband de Samaritaanse vrouw: een jood, meer dan onze vader Jakob, een profeet, de Messias – en de blindgeborene: de mens die Jezus genoemd wordt, een profeet, een zondaar?,van God gezonden, de Zoon des mensen (4, 9). Let op de steeds grotere openheid van de Samaritaanse vrouw tegenover haar stadsgenoten en de steeds grotere geslotenheid van de blindgeborene tegenover zijn volksgenoten.
Jezus wint de Samaritaanse vrouw met woorden, de blindgeborene met de daad.
Ongeloof
Niet alleen met even zoveel woorden, maar ook zakelijk komt in het vierde evangelie het ongeloof ter sprake. Als je alle gegevens op een rij zet, blijkt dat je nauwelijks meer van clusters kunt spreken. Hele hoofdstukken zijn van ongeloof doortrokken. Geloven lijkt uitzondering, ongeloof regel bij Johannes.
Ongeloof in en verzet tegen Jezus vinden meestal collectief plaats: de joden, de Farizeeën, de priesters.
Soms echter zijn het niet de scharen maar de enkelingen die Jezus vijandig zijn. En soms komen onbegrip en afwijzing ook bij Jezus' vrienden voor.
Niet alle verzet is even hevig. Zoals er fasen in het geloven zijn, zo is er ook gradatie in het ongeloof. Dit varieert van vragen en opmerkingen over Jezus' afkomst, daden en woorden tot teleurstelling, ergernis, vervolging en moordplannen ten aanzien van de Heer.
Bijna alle personen die betrokken zijn bij verraad, verloochening, veroordeling en berechting stellen zich, individueel en/of collectief, in mindere of meerdere mate negatief tegenover Hem op.
In gesprekken met vriend en vijand maakt Jezus duidelijk, wat ongeloof is, waarin het blijkt, waaruit het voortkomt en waartoe het leidt. Het getuigenis van Johannes de Doper vat dit samen (3:27,31v,36). Ongeloof is het getuigenis van Jezus niet aannemen.
Ongeloof blijkt uit ongehoorzaamheid aan de Zoon. Ongeloof komt voort uit aards-zijn en aards-spreken.
En ongeloof leidt tot toorn van God en dood van de mens.
Jezus en het ongeloof
Slechts in een paar gevallen reageert Jezus niet op het ongeloof van de mensen. Toch doet het tekstverband het dan wel: of de evangelist en de omstanders dechargeren Jezus, of Jezus zelf reageert later alsnog - en wel: lerend en nodigend.
In een aantal gevallen reageert Jezus op ongeloof door zich te onttrekken aan geweld vóór 'zijn tijd'. Zo voorkomt Hij dat mensen de hand aan Hem slaan als dit nog niet mag.
Tegelijkertijd schept Hij hiermee voor hen de mogelijkheid om Hem alsnog in geloof te aanvaarden. In alle andere gevallen geeft Jezus steeds antwoord op uitingen van ongeloof – zowel van de joden als van de discipelen.
Wat Jezus' reactie op de joden betreft: Hij spreekt niet alleen óver maar ook tòt de joden die niet geloven: let op het gebruik van de tweede persoon meervoud! Hij spreekt hen toe en roept hen op tot geloven en leven. De gebruikte werkwoorden – antwoorden, spreken, zeggen, leren – suggereren geen twistgesprek maar een geduldige uitleg. Denk ook aan het woord roepen, dat op een plechtige uitspraak wijst. Verder kun je letten op het herhalende weer en de vragende toon.
Telkens weer legt Jezus uit wat de eigenlijke bedoeling van de schrift is.
Op verschillende plaatsen voelen de verklaarders al te snel een scherpe kant aan Jezus' woorden, terwijl zijn toon meer pastoraal dan polemisch is.
In verreweg de meeste gevallen bevat Jezus' antwoord naast afwijzendnegatieve elementen ook en vooral wervend-positieve bestanddelen. Hij wijst op het primair reddende karakter van zijn werk, de mogelijkheid om alsnog tot geloof te komen, de tijd en de opdracht om heden te geloven, het goede voorbeeld van anderen, het inzicht dat later bij de hoorders zal doorbreken.
Jezus herleidt het geloof tot de Vader, maar het ongeloof gaat terug op de mens zelf en op de duivel.
Wat Jezus' reactie op de discipelen betreft: Jezus' antwoorden dragen het karakter van bemoediging, vriendelijke vermaning en geduldige uitleg. Zijn antwoorden bevatten naast negatieve vooral positieve elementen. Een paar keer lijkt Jezus' antwoord negatief, maar dan zit er toch een positieve bedoeling achter: een gewaarschuwd mens telt voor twee. De 'wereld' komt ter sprake als een grootheid die tegenóver de discipelen staat: hun hart worde niet ontroerd, want Jezus komt terug. Verraad en wederkomst worden door Jezus voorzegd eer het geschiedt, opdat de discipelen mogen geloven wanneer het geschiedt.
Het is met name de nieuwtestamenticus Adolf Schlatter (1852-1938), die uitvoerig aandacht geeft aan dit pastoraal-wervende karakter van Jezus' optreden zowel tegenover outsiders als voor intimi. Johannes beoogt met zijn evangelie hetzelfde als Jezus met zijn optreden: dat mensen geloven en leven!