Aan elkaar gehecht
2003-09-26
Het is niet goed als de mens alleen is.- Jaargang 47
- nummer 19
Die tekst vinden we aan het begin van de Bijbel. Het zijn woorden die zeker ook in onze tijd van toepassing zijn. Mensen hebben andere mensen nodig. Kinderen hebben volwassenen nodig om emotioneel te kunnen groeien. God geeft aan kinderen ouders om die emotionele groei mogelijk te maken.
Voor de geboorte zijn moeder en kind in lichamelijk en emotioneel opzicht sterk met elkaar verbonden. Na de geboorte moet die band opnieuw vorm krijgen. Vooral via de geur, de aanraking en het horen van de stem reageert de baby op zijn moeder.
Omgekeerd reageert een moeder sterk op de signalen van haar kind. Ze is –zoals dat in vaktaal heet- sensitief én responsief. ‘Sensitief’ wil zeggen dat de moeder gevoelig is voor de vragen die het kind stelt (bijv.: Peter huilt omdat hij honger heeft).
‘Responsief’ wil zeggen dat de moeder ook reageert op het gedrag van het kind, zich inzet om het kind te kalmeren en te troosten.
(N.B.: dat ik hier de moeder noem is een bewuste keuze. De vader heeft een belangrijke rol bij de opvoeding, maar tussen moeder en kind bestaat in de eerste maanden van het leven meestal de meest intense band).
Eenkennig
Baby’s zijn vaak allemansvrienden. Ze lachen tegen iedereen die vriendelijk tegen hen doet. Toch komt er aan die onbeperkte vriendelijkheid een einde.
Geleidelijk aan ontstaat er een voorkeur.
Het kind kijkt de vertrouwde mensen langer aan, luistert beter naar bekende stemmen, stopt eerder met huilen als zijn moeder hem kalmeert.
Tussen de zes en acht maanden worden de meeste baby’s eenkennig.
Marieke, die zo gemakkelijk mee ging naar de crèche van de kerk, zet het nu opeens op een brullen. Er bestaan onderling tussen kinderen overigens grote verschillen in eenkennigheid, ook binnen hetzelfde gezin. Het ene kind wijst nabijheid van onbekenden ‘resoluut’ af, het andere kind is alleen maar wat meer verlegen. Als de baby niet fit is, is de behoefte aan nabijheid van een vertrouwd persoon het meest duidelijk merkbaar.
Niet inwisselbaar
Veel ouders ervaren de fase van de eenkennigheid als een lastige periode.
Opeens kun je niet meer gemakkelijk met zijn tweeën de deur uit.
Sommige kinderen brullen net zo lang totdat er weer een vertrouwd gezicht in de buurt is. Toch laat juist deze fase zien waar het om gaat als kinderen opgroeien. Het betekent namelijk dat kinderen gaan ervaren dat bepaalde mensen erg belangrijk voor hem zijn.
Om het iets anders te zeggen: mensen zijn niet inwisselbaar: je hoort bij iemand. Er groeit een emotionele bodem in je bestaan, er ontstaat een ‘vaste grond’ in je relaties. Je bent waardevol, omdat je bij iemand hoort.
Veilig of onveilig
De meeste kinderen ontwikkelen een als veilig ervaren band met hun eigen ouders.
Die veilige basis vormt het fundament voor een gezonde emotionele ontwikkeling.
Een kind dat zich veilig voelt vindt een evenwicht tussen het ‘durven’ (er op uit durven gaan, nieuwe dingen proberen) en het terug gaan naar de vertrouwde opvoeders (als de wereld griezelig wordt even bij pappa op schoot).
Helaas kan een aantal kinderen deze veilige basis niet ervaren. Ongeveer 1 op de 3 kinderen in Nederland ontwikkelt geen veilige hechting. In de media worden in dit verband o.a. de ‘bodemloze kinderen’ genoemd. Ze hebben zich nauwelijks kunnen hechten aan volwassenen. Een deel van deze kinderen komt bijzonder ‘stoer’ over. Als iets zeer doet zoeken ze geen troost, maar ze verbijten de pijn.
Opvallend vaak vertonen ze druk en grensverleggend gedrag. Als puber of volwassene zoeken deze mensen vaak naar manieren om emotioneel te kunnen overleven. Dat maakt hen ook zeer gevoelig voor verslavingen. De wortel van een verslaving is vaak: het vermijden van emotionele pijn.
Het voert te ver om in het kader van Opbouw uitgebreid te beschrijven waarom kinderen zich soms niet veilig kunnen hechten. Slechts heel kort noem ik twee aspecten. Er kunnen factoren in het kind zélf een rol spelen.
Sommige kinderen missen de mogelijkheid om de signalen van contact in hun omgeving op te kunnen vangen (dit is deels bij autistische kinderen het geval). Daarnaast spelen aspecten in de omgeving een belangrijke rol (nauwelijks structuur in het gezin, opgroeien zonder vaste volwassenen in de omgeving, traumatische ervaringen).
Groot én klein
Het voelt veilig om dicht bij je vader of je moeder te zijn. Kinderen moeten echter ook ‘groter groeien’. Ze moeten los komen van hun ouders.
Ouders hebben daar soms moeite mee. Vanuit hun (goede!) gevoel voor zorg is het moeilijk om los te laten, om over te dragen. Kinderen worstelen vaak met de strijd tussen de ruimte voor het eigen ‘ik’ en de behoefte aan veiligheid en zorg. Ze willen graag groot zijn, maar groeien roept ook angsten op. Een bekende angst bij de peuter is de verlatingsangst. ‘Ik kan bij mamma weglopen, maar dat betekent ook dat mamma ’s avonds –als ik in mijn bedje lig- zomaar bij mij weg kan lopen’. In deze periode staan sommige ouders zingend de afwas te doen zodat hun kind kan horen dat ze er nog zijn….
De koppige peuter en de dwarse puber zijn druk bezig om een eigen weg in het leven te vinden. Zowel de peuter als de puber willen groot én klein zijn. Marieke wil zelf eten, maar ze wil ook graag ‘gevoerd’ worden. John wil zelf bepalen hoe laat hij ’s avonds van een schoolfeest thuis komt, maar voelt wel erg plezierig en vertrouwd als je moeder toch even je boterhammen smeert en als je vader het formulier voor de studiefinanciering opstuurt.
Geen band op zichzelf
‘Zoals een vader liefdevol zijn armen slaat om zijn kind, omringt ons met erbarmen God onze Vader, want wij zijn van Hem……’ Tussen ouders en kinderen groeit een bijzonder sterke band. Die band staat niet op zichzelf.
Psalm 103 laat zien dat de band tussen een vader en zijn kind een afspiegeling vormt van de band tussen de hemelse Vader en Zijn aardse kinderen.
Door de manier waarop ouders met hun kinderen omgaan leren kinderen ook meer over de Vader in de hemel. In zekere zin vormt de liefde die ouders aan hun kinderen geven een afspiegeling van de bijzondere liefde die God voor de mens heeft.
Christelijke opvoeding beperkt zich niet tot het geven van bijbels onderwijs, het luisteren naar de kinderbijbel, het bezoeken van de catechisatie of het horen van een preek.
Geloofsopvoeding begint met het bouwen aan en groeien naar een unieke band tussen dit kind en deze ouders.
Meer informatie vanuit christelijk perspectief over emotionele ontwikkeling en hechting is o.a. te vinden in:
- J. Stolk (eindredactie): Met vallen en opstaan (Groen, 1998)
- Marja Bos-Meeuwsen en Henk van Dam (eindredactie): Met kinderen onderweg (Boekencentrum, 2001)
- Marja Bos-Meeuwsen (redactie): Opvoeden van peuters (Boekencentrum, 2001)
- Dr. W. ter Horst e.a.: En verhindert ze niet (GSEV-reeks De Vuurbaak, 2001)