Of theologie ook verder helpt ...
2003-10-10
Niet iedereen is even enthousiast over theologen en hun bezigheid. Is al dat nadenken en geredeneer nu wel zo bevorderlijk voor je geloof?- Jaargang 47
- nummer 20
Dr Bert Loonstra (Christelijke Gereformeerd predikant te Emmeloord) vindt in elk geval van wel. In zijn boeken - ik tel er inmiddels vijf – is hij vooral denkend en redenerend bezig. Hij doet dit vanuit de overtuiging dat het geloof(sleven) gebaat is bij goed nadenken en heldere denkbeelden. Ik ben dat helemaal met hem eens. Het ontwikkelen van onze spiritualiteit zal verzanden zonder ontwikkeling van onze theologie.
In twee artikelen wil ik aan de hand van zijn laatste boek, ‘God schrijft geschiedenis’, onderzoeken of Loonstra’s theologisch bezig zijn ons verder helpt. In dit eerste artikel bespreek ik enige algemene kenmerken van dit boek en pak er één onderwerp uit: de goedheid van de schepping.
In een tweede artikel sta ik stil bij de centrale boodschap van het boek, waarin het gaat om Gods verhouding tot de geschiedenis. Na lezing mag u zelf de vraag beantwoorden die in de titel meekomt.
Archiefkast
Vooraf: wat is theologie en welke plaats mag ze innemen in het geloof( sleven)? Voor mezelf maak ik altijd de vergelijking met een archiefkast.
Ieder mens loopt rond met een aantal denkbeelden en concepten in zijn hoofd. Die vormen als het ware de mappen van de archiefkast waarin je al je ervaringen opbergt Soms doe je ervaringen op die je nergens kwijt kunt. Je weet dan niet ‘wat je er mee moet’. Ze komen onverwerkt op een grote stapel te liggen en zitten je in de weg. Theologie kun je opvatten als de zorg voor de archiefkast van je geloof. Er moeten misschien wat mappen opgeruimd worden, omdat er al jaren niets in is opgeborgen. Sommige dossiermappen moeten een ander ‘label’ krijgen. Er moeten misschien nieuwe mappen worden aangemaakt.
Aparte vorm
Dit boek van Loonstra gaat over God.
Maar wie over God spreekt, spreekt eigenlijk over de hele geloofsleer. Dat gebeurt ook in dit boek. De vorm die Loonstra daarbij hanteert verdient aparte vermelding. Hij haalt namelijk de ouderwetse vorm van de ‘disputatie’ van stal. Een disputatie is een geleerde discussie die verloopt volgens vaste regels. Het is een vorm die ontwikkeld is aan de middeleeuwse universiteiten. Er wordt begonnen met een stelling of een vraag.
Vervolgens worden de mogelijke argumenten tégen deze stelling breed uitgemeten. Dan komen de argumenten vóór de stelling. Daarna volgt een weergave van het eigen standpunt.
Het einde wordt gevormd door een weerlegging van de tegenargumenten. Loonstra behandelt de onderwerpen van de geloofsleer allemaal op deze manier. Zo komt de vraag aan de orde of God gekend kan worden; of God Zichzelf bekend maakt in de Bijbel; of de schepping goed is; of God alles weet etc. De titel van dit artikel heb ik dus geheel in stijl gehouden.
Dit procédé heeft als voordeel dat het dwingt tot zo helder mogelijk formuleren. Wat bedoélen we eigenlijk? En dat dient weer de communicatie van het geloof. Verder leent deze werkwijze zich er uitstekend voor om alle ruimte te geven te geven aan de bezwaren die je tegen de christelijke boodschap kunt inbrengen.
En dat is ook wat Loonstra beoogt.
Met name de vragen vanuit onze eigen culturele ervaringswereld hebben zijn belangstelling. Hij wil vermijden dat ‘het geloof wordt beschouwd als een eilandje op de landkaart van de dagelijkse ervaring. Goede theologie heeft de Bijbel als bron en norm, maar geeft zich ook rekenschap van de waarheidsaanspraken die door andere wetenschappen op aanverwante gebieden worden gedaan.‘ (p.18).
Uitersten vermijden
Daarbij moeten volgens hem twee uitersten vermeden worden. We moeten niet alles wat moderne wetenschap te berde brengt direct voor zoete koek slikken. Maar we moeten anderzijds ook niet zeggen dat opvattingen uit andere wetenschappen geen enkele rol mogen spelen in de theologie. De argumenten die hij daarvoor aanvoert vind ik het noemen waard.
In geding is allereerst de eenheid en echtheid van ons leven. Als we op allerlei gebied wetenschappelijke resultaten en hun toepassingen aanvaarden, ‘dan is het onevenwichtig en dubbel als we in de buurt van de Bijbel en van het oude geloof in God de wetenschap ineens supersceptisch zouden benaderen.’ (p.19) In de tweede plaats: wanneer wij in de theologie de resultaten van andere wetenschappen de plaats ontzeggen, miskennen wij onszélf!
Want de manier waarop wij de werkelijkheid beleven is meer beïnvloed door die wetenschappen dan wij vaak beseffen. In mijn eigen woorden: in ons verzet tegen de moderne en postmoderne cultuur hebben wij vaak niet in de gaten hoezeer we het pistool op onze eigen borst richten.
Natuurgeweld
Er zijn een paar punten waarop Loonstra een bijstelling bepleit van de gereformeerde theologie. Het belangrijkste, dat van de verhouding van de eeuwige God tot de geschiedenis, bewaar ik voor een volgend artikel. Nu aandacht voor de door Loonstra bepleite herdefinitie van de goedheid van de schepping.
Vanuit onze ervaring zijn allerlei ingrijpende vragen te stellen bij de belijdenis van een goede schepping.
Daarbij is met name te denken aan het natuurgeweld. Traditioneel worden natuurrampen toegeschreven aan de invloed die de zondeval op de concrete kosmos gehad zou hebben.
Maar de vraag is of dit in het licht van natuurwetenschappelijk geloofwaardig te noemen is. Voor zover we kunnen nagaan is het heelal – en dus ook de aarde – ontstaan als gevolg juist van onvoorstelbaar kosmisch natuurgeweld.
De naweeën daarvan zien we in het uiteendrijven van de continenten.
Wat een krachten moeten daar achter hebben gezeten!
Aardbevingen zijn gegeven met de structuur van de aardkorst waarin tektonische platen langs elkaar schuren.
Het bestaan van de aarde en de atmosfeer is afhankelijk van een fascinerend evenwicht tussen deze geweldige krachten, die ons nog steeds omringen en hun invloed doen gelden. Dit natuurgeweld is dermate met ontstaan en bestaan van de aarde verweven dat je moet concluderen dat het structureel bij de schepping hoort.
Zolang mensen op deze aarde hebben bestaan waren zij potentiële slachtoffers van natuurrampen als gevolg van dit in de schepping ingebouwde natuurgeweld Maar hoe kun je de schepping dan nog goed noemen?
Goed en goed is twee
Wat is Loonstra’s antwoord?
Loonstra maakt onderscheid tussen de goedheid van de Schepper en van de scheppíng. De goedheid van God is absoluut. God is Licht en in Hem is in het geheel geen duisternis. De goedheid van de schepping daarentegen is relatief. In de goede schepping vinden we immers behalve licht ook duisternis.
Denk maar aan de afwisseling van dag en nacht (vergelijk Psalm 74:16.
‘Voordien was de aarde ‘woest en ledig’ en lag de duisternis over de oervloed. Dat spreekt in oud-oosterse termen van een onleefbare aarde. Een ongetemde duisternis spelt onheil. In de goede schepping is de duisternis een potentiële doodsdreiging, maar doordat aan haar plaats gewezen is, dient zij het leven.‘ (p.74).
Hetzelfde is te zeggen van het water.
De wateren van de oervloed spreken van de chaosdreiging die het leven onmogelijk maakt. Maar als aan de wateren hun grenzen worden gesteld, (Genesis 1: 9-10) dragen zij bij aan het leven op aarde, door regen, rivierslib en als leefomgeving voor de vissen.
Ten aanzien van de dood kan iets vergelijkbaars gezegd worden. De mens is geschapen als ‘stof uit de aardbodem’.
Dat wil zeggen als vergankelijk mens. In het paradijs was geen ‘onsterfelijkheid’.
De dood was er. Alleen ze diende door Gods ordening het leven. Slechts door te eten van de boom des levens kon de mens onsterfelijkheid verkrijgen. Het is slechts door de zonde van de mens dat de dood een destructieve macht krijgt, waardoor de mens van God en van de toekomst wordt afgesneden en waardoor zijn leven zonder uitzicht is. Als Paulus in Romeinen 5 zegt dat de dood door de zonde in de wereld is gekomen heeft dat betrekking op de dood als straf, waarin God zijn gemeenschap met de mens beëindigt.
Maar het betekent niet per se dat alle dood in de goede schepping aanvankelijk afwezig was.
Ook Psalm 104 getuigt ervan dat de dood een plaats in de schepping heeft. Het feit dat de jonge leeuwen schreeuwen om roof, wordt gezien als een vraag van de leeuw aan God om voedsel. God geeft hun dat door de dood van de gazelle. En dat is een reden om God te prijzen. De bestemming van de gazelle is het om prooi te zijn van de leeuw. En dat is…goed.
Kortom: De goedheid van de schepping is de goedheid die ontstaat wanneer God grenzen stelt aan het dreigende kwaad. Zoals ook elders in de Bijbel meermalen betuigd wordt (vergelijk Psalm 104: 5-9)
Of dit ons verder helpt
Wat is de winst van deze herdefiniëring van de goedheid van de schepping?
Allereerst gaan op deze manier natuurwetenschappelijke taal en Bijbeltaal met elkaar sporen. De natuurwetenschap schetst het beeld van het (opzienbarende) evenwicht van kosmische krachten. Dat is natuurwetenschappelijke keerzijde van wat de Bijbel vertelt in haar eigen taal. Namelijk dat God (opzienbarend) de oervloed zijn plaats wijst en een plaats creëert waar mensen kunnen wonen. Zo wordt een brug geslagen tussen geloof en natuurwetenschap.
In de tweede plaats geeft dit richting aan onze milieu-inspanningen. Als immers de kern van de schepping ‘orde’ en ‘evenwicht van krachten’ is, dan neemt zorg voor de goede schepping de vorm aan het zorgen voor de natuurlijke evenwichten.
In de derde plaats heeft deze herdefinitie van de goedheid van de schepping betekenis voor het pastoraat. Niet alle lijden is blijkbaar kwaad. Het is irreëel om te streven naar volledig ‘leedloos’ leven. Leven is een gestadig sterven zegt het doopformulier. Al was het maar omdat we in de loop van de tijd allerlei verlieservaringen opdoen. We doorlopen de ene levensfase na de andere en bij elke overgang is er sprake van afscheid en verlies.
Dat gaat per definitie gepaard met verdriet En dat is lijden. Maar je kunt het goed noemen, omdat je erdoor groeit en het leven dient. Op de nieuwe hemel en de nieuwe aarde zoals Jesaja die schetst – en hij trekt daarbij de lijnen van het paradijs door - lopen grijsaards rond (Jesaja 66:20). Dat zijn mensen die gegroeid zijn door te verliezen.
Ook rondom het levenseinde is dit inzicht van betekenis. Het betekent bijvoorbeeld dat als we iemand zien sterven ‘oud en der dagen zat’, dat we dat mogen zien als iets dat bij een goede schepping hoort.
Ik vind het tenminste opvallend als ik op een sterfbed de woorden hoor: ‘het is goed zo’. Dat wordt in tranen gezegd. En toch doen die tranen wonderlijk genoeg nooit afbreuk aan de goedheid van het moment. Zoals het goed is om moe te zijn en te kunnen slapen, zo kan het blijkbaar ook goed zijn om lévensmoe te zijn en te óntslapen.
Essentieel blijft daarbij overigens wel de wetenschap dat we in God geborgen zijn en rusten tot de morgen ( Psalm 4:3 berijmd).