Jezus’ opstanding
2003-10-10
Herderlijk.- Jaargang 47
- nummer 20
Precies in het midden van het vierde evangelie staat het 'beeld' van de herder en de schapen. In heel zijn boek laat Johannes merken hoe herderlijk Jezus mensen benadert. Ook in de laatste hoofdstukken van dit evangelie is het pastorale motief aanwezig. Ook op Goede Vrijdag en met Pasen is Jezus is de goede, de 'ideale' herder.
Maria Magdalena (20:1-18)
Dit stukje bestaat uit twee taferelen, die samen een eenheid vormen. Het valt op, dat er níet staat: Petrus geloofde, of: Petrus en Johannes geloofden.
Maar er staat: Johannes geloofde.
En Johannes zou niet zijn gaan geloven aan de opstanding van Jezus zonder Maria. Om dit duidelijk te maken, dienen de eerste verzen van dit hoofdstuk (20:1-10).
Hoewel Johannes geloofde en hoewel hij dit geloof aan Maria te danken had, maakte hij haar geen deelgenote van zijn nieuwe inzicht. Uit het gesprek met de engelen blijkt dat Maria nog niets verder is gekomen dan in het begin: 'wij weten niet', 'ik weet niet'.
Daarom roept de opgestane Jezus zelf haar tot de orde van zijn koninkrijk: 'vrouw, waarom weent u? wie zoekt u?' Het eerste 'zij keerde zich om' betekent niet dat ze met het hele lichaam een slag van 180 graden maakte. Alle desbetreffende teksten wijzen in de richting van een hoofdbeweging van 45-90 graden. Kroongetuige voor deze uitleg is het woord uit de bergrede: 'wie u een slag geeft op de rechterwang, keer hem ook de andere toe' (Mat. 5:39, 9:22, 16:23, Luc. 7:9.44, 9:55, 14:25, 22:61, 23:28, Joh. 1:38).
Maria kijkt wenend en voorovergebukt in het graf. Als ze merkt dat er iemand achter haar staat, kijkt ze even achterom, maar begrijpelijkerwijs herkent ze Jezus niet. Pas als de Heer haar naam noemt en als ze nog eens goed omkijkt – het tweede 'zij keerde zich om' – herkent ze Hem.
Dit stukje laat zien, hoe Maria Magdalena het instrument is waardoor Johannes tot geloof in de opgestane Heer komt; hoe Johannes Maria niet tot deelgenote maakt van zijn pas verworven inzicht; hoe Jezus zelf na zijn opstanding als de goede herder zijn schapen bij name roept: 'Maria(m)' (vgl. 10:3. 14.27); en hoe Maria zijn stem hoort en zo tot vrouwelijke apostel wordt.
Tomas Didymus (20:19-29)
Ook dit stuk bestaat uit twee taferelen die samen een eenheid vormen. Tomas wordt vaak gezien als een aartstwijfelaar, een kritisch, ja sceptisch type. Deze typering doet geen recht aan de gegevens van het vierde evangelie. Tomas is veeleer een nuchtere realist.
Tomas zegt gezien het tekstverband (11:8.16) terecht: 'laten wij ook naar Jeruzalem gaan om met Jezus te sterven'.
Precies hetzelfde zeggen de andere leerlingen: 'rabbi, onlangs trachtten de joden U te stenigen en gaat U weer daarheen?' Als Tomas twijfelend en sceptisch is, dan zijn de anderen dit ook!
Tomas vraagt: 'Heer, wij weten niet waar U heengaat; hoe weten wij dan de weg?' Op deze nuchtere vraag geeft Jezus een nuchter antwoord: de Vader is het doel, en Jezus zelf is de weg. In dit verband zegt Hij 'als jullie mij kenden...', en gezien het gebruikte meervoud slaat dit niet op Tomas alleen. Trou-wens, in de directe omgeving stellen ook Petrus en Filippus kritische vragen. Als Tomas kritisch is, dan zijn de anderen dit ook!
(14:5.7, 13:36, 14:8). Het vierde evangelie zegt niet met even zoveel woorden waarom Tomas de eerste keer niet in de discipelenkring was. Je mag zijn afwezigheid niet ten goede maar ook niet ten kwade duiden.
Tomas zegt niet dat hij wel gelooft, maar evenmin dat hij niet gelooft. De uitdrukking 'wees niet ongelovig' betekent niet: houd op met ongelovig te zijn, maar: pas op dat je niet ongelovig wordt.
Tomas vraagt wat de anderen ongevraagd hebben gekregen: Jezus' handen en zijn zijde zien. Ook Tomas moet van Jezus getuigen. Dan zal hij toch van de waarheid overtuigd moeten zijn.
Tomas krijgt dan ook precies waar hij om heeft gevraagd. Het tweede tafereel is een exacte kopie van het eerste, alleen is Tomas er de eerste keer niet bij en de tweede keer wel.
Tomas gelooft alleen als het waar is: de verandering en de continuïteit van Jezus' lichaam. Tomas gelooft alleen feiten.
Wel, zo'n mens gelooft, en wel maximaal: 'mijn Heer en mijn God'.
Jezus geeft aan Tomas het antwoord dat bij de man past. Geen sjabloonantwoord, maar een antwoord dat is toegesneden op de persoon in kwestie. En dit is karakteristiek voor een pastorale benadering.
Ook na zijn opstanding is Jezus de ideale herder. Hij kent de schapen, Hij roept ze bij name. En de schapen horen naar Hem, ze volgen Hem omdat ze zijn stem kennen.
Simon Petrus (21:1-25)
Ook dit hoofdstuk bestaat uit twee taferelen, die hun bood-schap pas prijsgeven wanneer je ze als één geheel leest.
Zoals het in 20a om Maria en in 20b om Tomas ging, zo gaat het in 21 om Petrus.
Het eerste tafereel dient om aan te tonen, dat het echt de Heer is die zich aan de discipelen vertoont. Zes keer wordt erop gewezen, dat Jezus zich openbaarde, dat het de Heer was, enzovoort.
Zes keer lezen we, dat Jezus na zijn opstanding met de leerlingen heeft gegeten en gedronken. Dit gegeven gebruikt het Nieuwe Testament om het waarlijk van 'de Heer is waarlijk opgestaan!' te benadrukken. Allerlei details in het eerste tafereel onderstrepen de werkelijkheid van het gebeurde (21:1.4.7.12.14, Marc. 16:14, Luc. 24:30v.35.41v, Hand. 1:4, 10:41; Joh. 21:2v.6v.7.8.11).
Kortom, het was Jezus zelf die met Petrus sprak.
Het tweede tafereel verwijst hooguit indirect naar Petrus' drievoudige verloochening.
Het gaat niet om een eerherstel in de kring van de discipelen.
Let maar eens op het volgende: Er is geen sprake van wroeging bij Petrus. In het vierde evangelie gaat Petrus na de verloochening niet naar buiten om bitter te wenen. Als Petrus heeft vernomen dat Jezus uit het graf is weggehaald, gaat hij meteen kijken. Als Petrus begrijpt dat het Jezus is, daar aan de oever van de zee, dan spring hij onmiddellijk in het water. En het is Petrus, die het tot allen gerichte verzoek 'brengt van de vissen' inwilligt.
Er is geen sprake van discriminatie bij de discipelen. Het is de vraag of de anderen weet hadden van de verloochening. Na de 'grafroof' gaat Maria Magdalena eerst naar Petrus. En als Petrus zegt 'ik ga vissen', zeggen de anderen 'we gaan met je mee'.
Er is geen sprake van publiek eerherstel door Jezus. Indien Petrus aanwezig was bij de ontmoeting van 20:19vv – en het ligt voor de hand dit te denken – dan golden ook voor hem Jezus' belofte en bevel. Alle aanwezigen, inclusief Petrus, nemen deel aan het ontbijt op het strand. Let erop, dat niet meer dan de helft van de leerlingen aanwezig was.
Zinnetjes als 'toen zij dan de maaltijd gehouden hadden' en 'Petrus zich omwendende zag Johannes volgen', suggereren dat Petrus en Jezus na de maaltijd getweeën eind eindje omliepen.
In elk geval gaat het om een gesprek onder vier ogen.
Er is geen sprake van open vragen, waarbij Petrus nog met nee kan antwoorden of waarbij Jezus heel verwonderd kan zijn dat de ander ja antwoordt.
Het is geen vraag maar een weet: U weet, U weet, U weet alles, U weet... Jezus weet toch dat Petrus Hem heeft verloochend: niet omdat hij níet van Hem hield maar juist omdat hij wèl van Hem hield! Hij wilde erbij zijn, zijn Meester kon hem eens nodig hebben!
De vragen van Jezus zijn dan ook veelmeer constateringen in de trant van: 'je hebt Me lief, hè Simon?' Jezus laat merken dat Hij Petrus kènt: onder diens 'nee' ligt een 'ja' verscholen, de verloochening verraadt een linkse liefde.
Het is duidelijk, dat Petrus pastoraal werk moet doen: 'weid mijn lammeren', 'hoed mijn schapen', 'weid mijn schapen'.
Maar het is ook duidelijk, dat aan Petrus pastoraal werk wordt gedaan.
De herder roept zijn schapen bij name, hij kent hen en zij kennen hem. En dan worden in hoofdstuk 21 dezelfde werk-woorden gebruikt als in hoofdstuk 10! (21:15vv, vgl. 10:4.14).
Het is zelfs zo, dat het pastoraat van Jezus aan Petrus éérst komt, en daarná het pastoraat van Petrus aan Jezus' scha-pen. Alleen een schaap kan herder zijn – dit gold reeds van Jezus zelf (1:29, 10:11), dus geldt het zeker van Jezus' discipelen.
Het geldt ook van de discipel die Jezus liefhad. Zoals Petrus van Jezus zou getuigen met zijn bloed, zo zou Johannes het met pen en inkt. En op een heel speciale manier is het waar: 'Ik wil, dat hij blijft, totdat Ik kom' – in zijn boek namelijk, in zijn evangelie dat het herderlijk karakter van Jezus' optreden zo duidelijk laat uitkomen.
Dit artikel werd eerder gepubliceerd in Bij de tijd (1999).