Engels oefenen

2006-05-12
  • Jaargang 50
  • nummer 10
Stoffige gele straten. Getoeter, geraas van auto’s. Fietsers balanceren vroeg in de morgen over straat met grote, gevlochten palmhouten plateaus. De ‘abjat’, het vers gebakken witte brood op de plateaus op hun hoofd, is inmiddels verdwenen. Ook de ezelkarren met volle en lege gasflessen zijn nergens meer te bekennen. Groepjes jonge mannen, vrouwen en kinderen lopen over de altijd drukke straten naar school, naar hun werk. Naar de winkels. Naar hun buren of vrienden, naar de club of de moskee. De decemberzon is aangenaam warm, maar in de schaduw is het fijn dat we toch de wintertrui aan hebben. Ik loop nietsvermoedend met mijn man en onze vier jonge kinderen door de straten van Fayoum, ongeveer een uur rijden ten zuiden van Caïro. Hier is hij geboren en we zijn op familiebezoek bij onze broer en schoonzus en hun twee kinderen. Inmiddels ben ik er aan gewend, dat kinderen ons op straat achternalopen en naroepen. Mijn man blijft het akelig vinden en als het weer gebeurt, stuurt hij ze weg. ‘Ik verf mijn gele haar wel zwart of draag voortaan een burka!’, lach ik. Voor het eerst durf ik gewoon vrij in hun ogen te kijken. Maar dan schrik ik. De brutale of juist heimelijk wegkijkende ogen van een aantal jongemannen en ook vrouwen verraden hun gedachten. In hun ogen ben ik het prototype van de slechte westerse vrouw! In Nederland val ik met mijn roodblonde sprieten en blauwe ogen nauwelijks op, maar hier sta ik in het middelpunt van foute belangstelling.
Een onbehaaglijk gevoel. Ik sla mijn ogen dus maar weer neer en probeer die blikken te mijden. Maar het ‘Hello, what is your name?’ van de kinderen die achter ons aanhobbelen, is niet te ontkennen. Negeren? Vriendelijk antwoorden?
Soms doe ik het een, soms het ander. Maar als ik antwoord, is het einde zoek! Wat moet ik?

Ik beleef wat mijn man moet doorstaan wanneer hij in Nederland over straat loopt. Met zijn donkere huidskleur en zwarte haren. Of als ze zelfs in de kerk hem bijvoorbaat al wantrouwen.
Het prototype van de dief of de terrorist! En ik weet het allemaal wel, ze zijn er, maar het stickerplakken is zo erg en zit er zo diep in. Wat doet dat pijn, als dat onrecht je overkomt! En dan gewoon maar terug liefhebben….

Maar hoe moeten Marokkaanse vreemdelingen en hun vrouwen zich voelen als ze zulke blikken opvangen?
Terwijl ze nietsvermoedend een bruin brood bij de bakker kopen. Of hun kind naar de school brengen. Hoe gaan zij reageren; zij die niet op Jezus kunnen zien?
Hoe onchristelijk zijn soms de vragen, die wij Nederlandse christenen hun stellen. ‘Is geloofsopvoeding in de islam in Nederland de oorzaak van geweld van Marokkanen op straat?’, is net zo generaliserend als de vraag, die ik in de brutale of wegkijkende ogen van jonge mannen en vrouwen in Egypte lees. ‘Is geloofsopvoeding als christen in een westers land de oorzaak van je losbandigheid?’ Beseffen we wel in welke positie veel Marokkaanse mensen als niet gewilde vreemdeling verkeren?

Een paar dagen na dit voorval in Fayoum spreekt mijn zwager het verlossende woord. Ik ben met hem en zijn vrouw en kinderen in de speeltuin van een club. Weer gaat alle aandacht uit naar mij en mijn kinderen. Ik voel de negatieve aandacht weer groeien. Tot mijn zwager zegt: ‘Ze willen graag hun Engels oefenen! De kinderen die hier komen, zitten op de beste scholen van Fayoum.’ En dan zie ik het opeens in die club kinderen, die om ons en ons springtouw heen staat. Dus roep ik maar: ‘Who likes to play with us?’ Een dapper jongetje durft als eerste en we tellen: ‘One, two, three’. De hele club joelt mee en ik prijs God, dat Hij mijn ogen opent om iets van Zijn liefde uit te delen. En ik zeg tegen ze: ‘His name is Jesus.’

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief