Ik zou wel meer reacties willen...
2006-05-26
‘Het leiden van een kerkdienst ervaar ik als heel intensief, omdat het voor mij het hart van al mijn werkzaamheden is’, zo schreef een van onze predikanten. En een ander liet weten dat de kerkdienst voor hem ook altijd weer het moment is waarop hij zelf de ontmoeting met God zoekt.- Jaargang 50
- nummer 11
In pijnlijk contrast met die mooie insteek ervaar ik opmerkingen over de lengte van de dienst of de preek, zeker als dat het eerste is wat een huiswaarts kerende kerkganger over de samenkomst weet te zeggen. Je kunt je toch niet voorstellen dat de Heer als eerste over een preek zou zeggen dat het ‘te lang’ of ‘te kort’ was! Maar goed, in een enquête mag het item natuurlijk niet ontbreken (vraag 21,22). Van meer gewicht is de tekstkeuze, want het is mooi als je door de jaren heen in alle hoeken en gaten van de Schrift komt (vraag 8). U kijkt de cijfertjes nog maar eens door, met soms overbevissing van de evangeliën en een karige aandacht voor de wijsheid.
Uitgeschreven?
Dan iets over het ‘hoe’ van het preken (vraag 17). Twee van de drie predikanten schrijft zijn preek helemaal uit, wat niet betekent dat u dat op zondag ook allemaal letterlijk zo voorgelezen krijgt. De meesten geven de inhoud losjes lezend aan de gemeente door. En sommigen weten zelfs zonder een blik op het papier te slaan, heel dicht bij de geschreven inhoud te blijven. Maar gestimuleerd door een beweging als ‘Passie voor preken’, zijn er ook predikanten overgegaan op het preken aan de hand van kernpunten of (iets meer als een plaatje ingericht) de mindmap. Op dat moment is de predikant niet langer aan papier gebonden, wat bijna altijd positief uitwerkt in het contact tussen preker en gemeente. Vraag is wel of het woordgebruik op die manier niet wat uitslijt. Sommigen gaven aan, dat ze het uitschrijven van de preek nodig hebben om de gedachten en woorden scherp te krijgen.
Oor en oog
Onontkoombaar in 2006 is de vraag of en hoe we visuele hulpmiddelen kunnen inzetten in de dienst. Een emeritus-predikant schreef dat hij in de tachtiger jaren de overhead-projector niet graag had willen missen.
Maar hij voegt er aan toe, dat mensen als Veenhof, Lloyd Jones en Spurgeon dat soort hulpmiddelen helemaal niet nodig hadden, zo beeldend als ze spraken. Terwijl ze preken hielden, die soms wel twee keer zo lang waren als de gemiddelde NGK-preek. Aardig genoeg zie je dat volgens mij terug in het gebruik van de beamer, die aanzienlijk minder intensief wordt ingezet bij de preek dan in de rest van de dienst (vraag 18,19). Een gesproken woord recht uit het hart, met de klank van de stem, heeft nu eenmaal zijn eigen zeggingskracht. Het visuele zal op zulke momenten lang niet altijd ondersteunend zijn, eerder afleidend. Dat vraagt dus om een kritisch gebruik van de beamer en al het andere dat meer een appèl doet op ons oog dan op ons oor. Op dit terrein kunnen visuelen en auditieven elkaar tot een hand en een voet zijn.
Doelgroependiensten
Een ander vragenveld betrof de bijzondere diensten, soms op een doelgroep gericht (evangelisatie, jeugd) of bijzonder qua accent (praisedienst, stiltedienst). Iemand reageerde: ‘Wij doen geen bijzondere diensten. Ik ben van mening dan elke dienst iets voor iedereen in zich moet hebben. Nu vraagt niemand meer naar bijzondere diensten’. Anderen houden dat soort diensten wel, maar de verwachtingen van de ‘bijzondere’ dienst lijken niet (meer?) zo hoog gespannen. Er wordt meer energie gestoken in de ‘gewone’ dienstenom die elke keer weer iets eigens en unieks mee te geven - dan dat er gewerkt wordt aan een evenwichtig palet van diensten, waarin successievelijk alle mogelijke subgroepen van de gemeente worden bediend. De mogelijkheden om de ‘gewone’ diensten te variëren zijn ook gegroeid door een grotere inbreng van gemeenteleden en een aanzienlijk toegenomen liturgische vrijheid. Een boeiende ontwikkeling! Ter overweging verder de cijfers bij vraag 25 - in hoeverre de predikant zich in een ‘gewone’ dienst richt op een subgroep in de gemeente.
Respons
Ik sluit dit onderdeeltje af in de wandelgangen, met de vraag of een predikant na afloop van een dienst veel reactie krijgt (vraag 33, 34). Het beeld is op het eerste oog niet negatief.
Slechts een enkeling krijgt zelden een reactie, terwijl bijna de helft van de predikanten vaak of altijd wordt aangesproken na een dienst. En die reacties zijn maar zelden negatief. Het lijkt ook in lijn met de vraag (26) of predikanten tijdens de dienst in de gaten hebben of hun preek overkomt.
Een zeer grote meerderheid geeft aan dat dat ‘vaak’ of ‘altijd’ het geval is. Toch heb ik het gevoel dat dit beeld te rooskleurig is. Ik had natuurlijk moeten vragen hoe groot het percentage gemeenteleden is, van wie je nóóit iets over de preek of dienst zult horen. Misschien wel 80 of 90%? Sta je dan toch ergens niet voor een ‘zwart gat’ te preken? Misschien sluit die gedachte wel weer aan bij een eerdere uitkomst (vraag 36), waarin 13 predikanten aangaven het preekproces als eenzaam te ervaren.
Teleurgesteld
En hoe zit dat met jongeren zoals Bas en Erik uit het interview, dat u elders vindt in deze ‘special’. Of ook de hartenkreet van een predikant, die geregeld als kerkganger de diensten meemaakt.
Hij schrijft: ‘Vaak zit ik met het gevoel, dat het nergens over ging en dat de geloofsbeleving die doorkwam in de dienst ver van mij afstaat. Ik ben dan ook niet zozeer op zoek naar bevestiging van het oude vertrouwde, maar naar iets dat mij vandaag inspireert. Ik vind dat zelden in de diensten. Veel diensten ervaar ik als oubollig, irrelevant, uit op zelfbevestiging, geheimtaal voor ingewijden, en oppervlakkig... Vaak verlaat ik de kerk teleurgesteld... Ik wil vooral oproepen tot een serieuze bezinning op de kwaliteit van het voorgaan in erediensten. Het is met name de kwaliteit die zeer onder druk staat. Er is mijns inziens een fundamentele (her)bezinning nodig binnen onze kerken op de prediking, de eredienst en alles wat daarmee samenhangt.’ Tot zover deze predikant, die zijn eigen preken overigens allerminst boven de kritiek verheven acht. Vraag is voor mij, waarom ik van dit soort scherpe kritische kanttekeningen eigenlijk niets terugvind in de enquêtes? Duidt dat misschien op een ongemakkelijke stilte rond de preek?