Dominees en preken in het Nederland van 1940
2006-05-26
Mijn ouders kregen zondagsmorgens na de dienst koffievisite of gingen zelf ergens op bezoek. In mijn herinnering ging het over politiek, zaken van alledag, maar ook over de preek. Vooral in de roerige jaren zestig zal daar de meeste nadruk op hebben gelegen. Mijn en andere ouders déden al pratend iets met een preek.- Jaargang 50
- nummer 11
Het is van alle tijden, dat preker en preek worden nabeschouwd. Vaak inhoudelijk, maar minstens zo vaak gaat het over de stijl, vlotheid en hoe boeiend het is. Als kind wist je, dat je naar de preek, boeiend of niet, moest luisteren. Of heel goed moest doen alsof. Mijn moeder had een gemeen kneepje in haar repertoire voor het geval ik afdwaalde of zat te duvelen. Zo ontwikkelde je je rekenvermogen met behulp van het psalmbord, telde je mee met de (meestal) drie punten tellende preek en ontwikkelde je het unieke vermogen om aan te voelen wanneer de spreker het einde en de liturgie de collecte naderde. Ik was dan ook prettig verrast, toen ik de Enschedese ds. Otto Mooiweer eens hoorde zeggen, dat hij al blij was als iemand één zin uit zijn preek onthield. Al was dat in mijn tienertijd en vanuit de achterste kerkbanken al redelijk ambitieus.
‘Gewoon mensch’
Hoe we vroeger in kerkelijke kring tegen dominees en hun preken aankeken, beschrijft het boek ‘In de houten broek’ van de journalisten Herman Felderhof en D. van der Stoep. Een apart boekje, omdat niet zo vaak met journalistieke ogen naar de eredienst wordt gekeken en omdat het werd geschreven vlak voor en na de Duitse inval in 1940. Maar het sloeg aan, want tussen 9 oktober 1940 en 23 april 1941 verschenen vijf drukken en later kwam er ook nog een vervolg.
In zijn inleiding zet Van der Stoep allereerst de prediker ‘als gewoon mensch’ neer. ‘Zóó gewoon is hij, dat zijn beenen soms de weelde der vereering niet dragen kunnen, zoodat hij zijn eenvoud verliest, de kin te hoog gaat dragen, in zijn gemeente alleenheerschertje gaat spelen, audiëntie verleent op de pastorie en genadiglijk in de gemeente rondrijdt ter fine van ambtelijk bezoek. (…) Een dominee is een machtig man. Jawel. Hij staat op een voetstuk, in een glazen kastje, maar hij is ook Jan, Piet of Klaas Zusen-Zoo, die chagrijnig uit zijn bed kan komen en de slaapkamer uit elkaar kan bulderen om zijn boordeknoopje.(…) Er zijn momenten, waarop hij met zijn voeten op zijn schrijftafel, lui achterover en met roode oren, een Wild-West-romannetje verslindt, waarop hij zijn kinderen leert omgaan met den priktol, waarop hij, als het meisje haar vrijen middag heeft, een liedje fluitend, de vaten droogt. Er zijn momenten, waarop hij in allen ernst probeert of hij nog op zijn kop kan staan, of waarop hij in den bezoekersstoel van de studeerkamer een deuntje zit te vrijen met zijn vrouw.’ (…)
In de broek
‘Met dat al blijft de dominee een gewichtig mensch, want hij maakt preeken. ’s Zondags staat hij in de houten broek en preekt. Voor dit werk ontvangt hij in hoofdzaak zijn opleiding en hoe hij dat er afbrengt, daarop wordt hij in hoofdzaak beoordeeld. Bij het beroepingswerk legt dat verreweg het meeste gewicht in de schaal. Wij, kerkmenschen, baseeren daarop ons oordeel over den man. Als wij zeggen: de dominee is goed of slecht of tamelijk of matig of verschillend of moeilijk of eenvoudig of snert of wel aardig of fijn of zwaar of wat er verder aan kwalificaties onder ons circuleert, dan gaat het over de preek. (…) ‘Nu kunnen wij wel gaan beweren, dat dominees ’s Zondags op den preekstoel moeten worden beschouwd als instrumenten, waarvan de Meester zich bedient om tot de gemeente te spreken, maar deze vergelijking gaat toch maar voor een klein eindje op, want deze instrumenten zijn niet dood, niet willoos, geestloos en zonder karakter. Zij zijn niet zonder zonde. Het is menschelijk onmogelijk, dat zij het Woord brengen, zonder dat daarin hun eigen kijk op de dingen, hun eigen karakter, hun dispositie, hun ondervindingen, hun teleurstellingen en wat niet al, een woordje meespreken. In de meeste gevallen staat een man op de preekstoel, die zijn preek, met Mühe en Not gemaakt, netjes opgeschreven in zijn zak heeft zitten en niet een instrument, dat maar af te wachten heeft wat op dat moment door hem gesproken zal worden. Wij mogen veronderstellen, dat hij zijn preek biddend heeft gemaakt (hoewel we er voor moeten oppassen, dat we bij hem niet een voortdurende geestelijke hoogspanning veronderstellen), maar nu zijn er twee dominees, die hun preek biddend hebben gemaakt en haar met een gebed in ’t hart aan de gemeente voorleggen. Hun exegese echter leidt hen tot geheel verschillende, ja tegenstrijdige conclusies. En de kerkmensch, die beider preek heeft gehoord, kan bovendien nog zeggen: maar zoo zit het toch niet precies, ik heb dat nog wel eens anders uit hooren leggen en dàt beviel me beter! ‘Ik moet mij hiermee tevreden stellen, dat in mijn kerk aan de centrale waarheden van het Evangelie niet getornd wordt, dat alle verschillen in de preeken van verschillende menschen kwesties van accent en (dus) opvatting zijn, dat ik mijn eigen weggetje in die meeningen mag kiezen, waarbij mijn eigen karakter een grote rol zal spelen, dat ik niemand mag verketteren met wien ik het niet eens kan zijn en dat ik niet gehouden ben alle dingen voor zoete koek op te eten, die een dominee op een preekstoel staat te zeggen.’
De kern
‘Overigens zijn deze dingen niet zoo overmatig belangrijk als zij schijnen of als wij ze voorstellen willen. Temidden van de kerk ligt het Woord, dat zeer vast is, eenmaal geschreven, eeuwig, onveranderlijk, onaantastbaar. Dat is voor dominee en kerkmensch het eenige houvast bij heel de preekerij. (…) ‘Nooit mag een theoloog trachten den bijbel in zijn systeem te wringen. Altijd zal hij hebben te bedenken, dat zijn systematiek er in wezen niet toe doet, omdat alleen het Woord wezenlijke waarde heeft. (…) ‘Intusschen kan men blijven opperen, dat er gevaren en bezwaren verbonden zijn aan het eenzijdig den nadruk leggen, in de vergadering der gemeente, op de preek. Er is toch wel onderscheid tusschen de bediening van het Woord en het preeken? Is het niet mogelijk, dat de vergadering zélf meer den nadruk moet hebben, dat het sacrament van het avondmaal, dat het communiceeren, een grooter plaats moet krijgen, dat de gemeenschapsoefening in ’t algemeen, door gebed en zang, meer naar voren moet worden gebracht, dat de liturgie zich moet ontwikkelen en zich nauwer aansluiten bij de tijden van het kerkelijk jaar, dat dus de gemeente een uitgebreider aandeel krijgt in den dienst en dat de preek meer het karakter krijgt van een sermoen?’
De kerkmens
Van der Stoep beschouwt ook de ‘kerkmensch’. ‘Kerkgangers gaan ’s Zondags naar de kerk, zou men kunnen zeggen. Zij luisteren naar de preek, zingen, doen een gave in ’t zakje, eten pepermunten en gaan weer naar huis, om koffie te drinken. (…) ‘Als wij over kerkmenschen praten, dan praten wij over een wonder. Zij zijn verdeeld, verscheurd, naar alle kanten uit elkaar gesmeten. Dikwijls verbijten en vereten zij elkaar. Zij zijn gescheiden in maatschappelijke groepen, kasten en coterietjes, zij zijn verdeeld over tientallen kerkgenootschappen, zij zijn vermaterialiseerd en verburgerlijkt. Ach, de kerkmenschen, die hun burgerschap in de hemelen hebben, zij hebben zich stevig op de aarde genesteld. Zij zijn zoo gevangen in de sleur. Zij hebben zooveel bijoogmerken bij het ééne oogmerk, dat hun leven beheerschen moet. Zij zijn den omgang met het heilige zoo gewoon geraakt. Zij gaan zoo gemakkelijk naar de kerk en komen er zoo gemakkelijk weer uit. Zij hebben zooveel critiek. De dominee doet het zoo zelden goed, de kerkeraad speelt zoo de baas of de kerkeraad is zoo slap. Zij mogen maar opdokken en de dominees verdienen maar groote salarissen.
De kerkmenschen, zij hebben zooveel zekerheden rond zich gebouwd en zij moeten zoo veelszins klagen, dat zij de eene waarachtige zekerheid missen. Zij toonen zoo weinig hun geloof uit de werken. Zij hebben zoo weinig een boordevol hart, waarvan de mond overloopt. Er valt zooveel op hen aan te merken door andere kerkmenschen, op wie ook zooveel aan te merken valt. (…)
Schilder met spa
Vervolgens beschrijven beide journalisten twintig diensten in uiteenlopende kerken. In de Gereformeerde kerk aan de Heerengracht in Leiden horen zij eind 1939 ds. H.A. Wiersinga (‘een man van bijzondere accenten’). In de Bethlehemkerk aan de Laan van Meerdervoort in Den Haag zitten zij in februari 1940 onder het gehoor van de Hervormde ds. A.K. Straatsma (‘hij heeft het woord in zijn macht en zendt het uit naar de harten van zijn toehoorders’). En zij mengen zich onder de Rijnsburgers voor een preek van de Gereformeerde prof.dr. K. Schilder. Van der Stoep ziet daar een dominee die ‘haast, groote haast’ heeft om bij de preek te komen. ‘Hier staat een man gereed, met de spade over den schouder, om te gaan graven in het Woord. Er zijn weer schatten op te delven en zijn handen jeuken om den spade in de grond te steken. (…) Hij buigt het hoofd en rukt het weer op. Hij heeft de spa, ter plaatse van zijn tekst, in het Evangelie gestoken en nu graaft hij daar al maar nieuwe schatten uit op, die hij aan de gemeente toont. (…) Waar men het Woord des Heeren ook aanboort, daar is het een veelbelovende plek, dat weten we hier in Rijnsburg ook wel, maar deze knecht van den groten Heer weet dezen rijkdom toch wel wonderheerlijk op te sporen.’ De kerk verlatend, vraagt Van der Stoep zich af hoe de preek is geland. ‘Wat heeft de ouderling er van begrepen en de koster en de vrouw achter ons, de man op ’t orgel en het lid van de J.V., de groothandelaar en het kind en de ouwe man en de dokter, de bloemenventer, de secretarieklerk, het dienstmeisje en de onnoozele Hannes? Wat heeft de professor er zelf van begrepen? Dit is nog de vraag die ’t meest intrigeert. (…) Wat is de preek toch een onmachtig ding, zoodra men op straat en achter zijn kopje koffie komt, als men de lange rij menschelijke beperkingen ziet, waaraan zijzelf en haar invloed en uitwerking onderworpen is. Maar wat is zij machtig – en dat ziet ook alleen het geloofsoog – als bouwmateriaal in Gods hand om zijn gedifferentieerde gemeente te stichten en op te bouwen in het allerheiligst geloof.’ Zo leefde dat, 65 jaar en twee kerkscheuringen geleden.