Preken die raken
2006-05-26
God echt leren kennen: Psalm 19- Jaargang 50
- nummer 11
Stelt u zich het volgende tafereeltje op zondagmorgen in een dorp voor: een hele stoet mensen, netjes gekleed, gaat ter kerke.
Helemaal in zijn eentje loopt iemand in vrijetijdskleding tegen de stroom in. Hem wordt toegeroepen dat hij de verkeerde kant uit loopt. Maar hij antwoordt: ‘Het ruime hemelrond, vertelt met blijde mond...’ De ander, ook een kenner van de bijbel, antwoordt: ‘Des Heren wet nochtans, verspreidt volmaakte glans.’
Zou het wat hebben uitgewerkt: iemand die van de natuur wil gaan genieten om de oren slaan met de wet? Die twee verzen lijken zo elkaars tegenstander te zijn.
Zijn ze dat? Ik las rond 1970 een loflied op de grootheid van de Schepper, maar ik vond er geen nummer van een Psalm boven staan. Na veel zoeken kwam ik er achter: het was geen gewone Psalm, maar een lied van de zogenaamde ketterkoning van Egypte. Hij was door nadenken tot de slotsom gekomen dat veelgodendom niet kon en dat er maar één scheppende en onderhoudende kracht was: de zon en die aanbad hij in dat lied. Ik was door die ontdekking een tijdje in de war, maar een preek van Ds. Henk de Jong een paar jaar later bracht me weer ‘bij’; het hier geschrevene is een eigen verwerking van die preek.
De Here God wil Zijn door Hem verloste kinderen graag bij de bevrijding bewaren. Maar Hij kent ons dwaalziek hart, onze zwakheden. En daar rekent Hij mee. Hij geeft ons daarom niet alleen bevrijding, maar ook aansporingen en beveiligingen om daarin te blijven leven, ons ‘bij de duur verworven verlossing te bewaren’. Israël leeft in een omgeving waarin volken allerlei afgoden hebben, waarin het schepsel of de schepping los van en boven de Schepper wordt vereerd.
Daar geeft de Here een dichter Psalm 8 op de lippen: een loflied op de schepping... als schepping van de Here God.
Er zijn tallozen, die God menen te kennen uit de schepping, maar dat is dan een Opperwezen, een vage Almacht.
Ik lees u Psalm 19 – neem die erbijen lees met mij en ds. De Jong.
Vers 1-7: Een afgebroken loflied op Gods grootheid in de schepping.
Vers 8-12: De dichter denkt: zo kom je niet verder: Uit de schepping leer je alleen Gods macht kennen, Zijn buitenkant.
Gods hart leer je elders: in Zijn Wetten, Zijn Woord, waarin Hij het op het behoud van ons leven heeft gemunt. Op de liefde van ons hart. ‘God’, het neutrale woord, wordt dan vervangen door JHWH, de Naam waarmee God Zich aan ons verbindt. Ten diepste leer je God kennen, JHWH kennen, in Zijn Zoon: wie Hem gezien heeft, heeft de Vader gezien.
Vers 13-15: ‘Hem welbehagelijke woorden’ zijn in ieder geval geen hoogmoedige woorden: wij bezitten als Kerk of groep het Woord niet exclusief: Efeze 3: ‘Samen met alle heiligen Gods openbaring verstaan’.