Waar haalt hij het vandaan?!
2006-05-26
‘Preken moeten een hoger “Mac-Donalds”-gehalte hebben. Het moet gemakkelijke kost zijn die ook door jongeren te begrijpen is. Want als jongeren de preek snappen, dan begrijpen de ouderen ze ook’. H. Toebes uit Hoorn reageert met dit antwoord op de vraag: wat is een goede preek? We benaderen telefonisch een aantal preeklezers uit de verschillende Nederlands Gereformeerde Kerken.- Jaargang 50
- nummer 11
Waar zoeken zij de preken die ze lezen en vooral: wat vinden ze er eigenlijk zelf van?
De twee prekenseries ‘Het blijvende woord’ en ‘De Hoeksteen’ die in onze kerken cirkuleren worden nog steeds gebruikt. Maar verschillende preeklezers geven aan dat hun zoektocht toch steeds meer op het internet begint. Dat levert heel wat werk op, want een database met alle NG-preken ontbreekt vooralsnog. ‘Als iemand dat voor elkaar zou kunnen boksen, dan zou ik erg blij zijn’, zegt A. van der Wal uit Hoogeveen. Dat zoekwerk heeft ook te maken met je eigen opvattingen. ‘Je bent kritisch op wat je tegenkomt, want je wilt wel achter de preek staan die je gaat lezen’, zegt A. van Oord die preekleest in de gemeente van Zeist.
Taalgebruik
Eén van de terugkerende onderwerpen in de korte interviews is het taalgebruik. Dat is niet alleen voor jongeren een hot item. H. Toebes is docent nederlands en zegt zelf flink met preken aan de slag gaat: ‘Predikanten hebben niet in de gaten dat ze soms vier keer hetzelfde zeggen. Dat is jammer, want woorden worden meer ingeprent als je ze één keer noemt. Meestal schrap ik dus al die herhalingen, tenzij het gaat om een nadrukkelijke samenvatting aan het eind van de preek’. J.K. Knol uit Alphen a/d Rijn komt ook heel wat tegen waar hij als preeklezer niet goed mee uit de voeten kan: ‘Er zijn preekstijlen waar je je nek over breekt’. Daarom selecteert hij bij het zoeken van geschikte preken sterk op zinsbouw en leesbaarheid. Ook Van Oord geeft aan te kijken naar het taalgebruik. Hij heeft een voorkeur voor korte zinnen: ‘Als ze niet kort zijn, dan maak ik ze zelf kort. Dat is nodig voor een goede voordracht’. J.P. Stoop, die preekleest in Amsterdam-centrum, geeft aan terughoudend te zijn in het aanpassen van preken: ‘Ik zoek een preek waar ik volledig achter kan staan. Dan kun je wel eens details aanpassen, maar ik volg de strekking en de struktuur van de preek die ik uigekozen heb’.
Iets provocerends
De keuze van de preek wordt ook weer niet alleen door het taalgebruik bepaald. Stoop zegt er intens mee bezig te zijn en vrij lang vantevoren al te beginnen met zoeken. Beslissend is of de preek iets te bieden heeft: ‘Dat kan een zin of een gedachte zijn. Maar er moet iets zijn wat me direct bij eerste lezing boeit’. C.M. Flens zegt bij de selectie drie of vier preken door te lezen. Hij kijkt met name naar de eerste regels van een preek: ‘Het begin moet iets provocerends hebben waardoor je vastgehouden wordt in het hele verhaal’. Van Oord is ruim een maand voor de leesdienst al bezig met de voorbereiding: ‘Dan begin je al te ploegen. En dan leg ik er één of twee opzij die me zelf aanspreken en die relevant zijn voor de gemeente’.
Janboerenfluitjes
De vraag waar we voor de preekspecial in het bijzonder in geinteresseerd zijn is: wat is een goede preek?
Preeklezers zijn veel aan het zoeken, lezen, schiften en wijzigen. Wat is hun mening hierover? De preeklezers worden door de vorm van het telefonische interview gedwongen hun antwoord zonder voorbereiding en uit de losse pols te geven. Toebes zegt kernachtig: ‘Ik houd van preken die op z’n “janboerenfluitjes” geschreven zijn. Het moet makkelijke kost zijn’. Stoop legt nadruk op goede exegese: ‘Allereerst gaat het om duidelijke exegese.
Je moet merken dat de predikant zelf onder dat Woord staat. Het moet gaan om echte verkondiging: dat is de gemeente voor de Here God stellen. De gemeente moet door die preek de stem van de Goede Herder horen’.
Andere preeklezers nemen het woord ‘relevantie’ in de mond. Van der Wal zegt geen theologie in een preek te zoeken: ‘Een goede preek is een preek die relevant is voor een doordeweekse dag. Het moet gericht zijn op gewone mensen in de gewone maatschappij. De bijbel zelf staat vol van juist zulke mensen’. Knol zoekt naar goede Schriftuitleg. Hij bedoelt daarmee dat een predikant niet een stokpaardje berijdt en daar een tekst bij zoekt. ‘Een goede preek laat de Schrift spreken. Dan kan het thema van die tekst in zijn actualiteit heel sterk op je afkomen’. Van Oord verstaat onder een goede preek een preek die relevant is voor zijn geloof en voor de situatie van de gemeente.
Verder zoekt hij naar preken die niet blijven steken in één facetje: ‘De vraag is of een preek de volle breedte van de Schrift weerspiegelt. Ik kies dan ook niet voor één vers, maar een hele pericoop. Bij een preek over de Heilige Geest heb ik hoofdstuk 12, 13 en 14 uit 1 Korintiërs gelezen en zelf samengevat. Op deze manier krijgt de dienst iets van een leerhuis’.