‘Heer, laat me zelf zien wat dit is’
2006-05-26
‘Er wordt wel gezegd: de preek staat in onze tijd onder druk. Inderdaad, maar tegelijkertijd: helemaal niet. Als ik rondpreek dan merk ik helemaal niet dat mensen preekmoe zijn. Mensen hebben wel zin in een goede preek waardoor ze geraakt worden’. Aan het woord is ds. Fred Blokhuis.- Jaargang 50
- nummer 11
Ook Schaeffer ziet geen preekmoeheid: ‘Ik merk ook een openheid voor troostende en bemoedigende preken.
Daar krijg ik toch de meeste positieve reacties op’. Baars voegt er aan toe dat we in onze tijd veel uit te leggen hebben: ‘Preken moeten niet gaan over allerlei details, maar over centrale vragen als: wat is geloof, wat is zonde, wat is genade?’ Het is een fragment uit een gesprek over visie op de prediking en de verschuivingen in de laatste tien jaar. En dat met drie docenten preekkunde: Baars (Theologische Universiteit van de Christelijke Gereformeerde Kerken in Apeldoorn), Schaeffer (Nederlands Gereformeerde Predikanten Opleiding in Apeldoorn) en Blokhuis (Nederlands Gereformeerd Seminarie in Amersfoort).
Gevoelslengte
Baars, Blokhuis en Schaeffer zijn tegelijk ook mensen van de wekelijkse preek-praktijk. Schaeffer vertelt dat zijn preken korter zijn geworden in de loop van de jaren. Maar volgens hem is de lengte van de preek niet doorslaggevend: ‘Je hebt iets als ‘gevoelslengte’. Heb je een helder verhaal met een duidelijke lijn, dan kan een preek lang zijn, maar niet als lang ervaren worden. Heb je een onduidelijk verhaal, met weet ik hoeveel uitweidingen, dan gaan mensen de preek als langdradig ervaren’. Baars sluit zich daarbij aan: ‘Bij de voorbereiding moet je een heel heldere boodschap formuleren. Dit is juist wat de Heilige Geest van ons vraagt, dat we ons zorgvuldig voorbereiden en moeite doen voor een goede structuur’. Blokhuis stelt dat schrijven schrappen is: ‘Je moet iets aan de fantasie van de mensen overlaten. Een dominee moet zich afvragen: wat wil deze tekst zeggen vandaag? En dan moet je je boodschap in één zin kunnen samenvatten en er niet omheen gaan teuten. Al die andere dingen komen een andere keer weer’.
Niet krampachtig
De drie docenten blijken zelf hun preken volledig uit te schrijven. Ze maken geen gebruik van de mindmap (zeg maar: preken van punten) zoals die door de preekbeweging ‘Passie voor preken’ van Ron van der Spoel aanbevolen wordt. Baars, die op de kansel zijn uitgeschreven preek voor noodgevallen achter de hand houdt, is bang voor herhaling in het woordgebruik: ‘Door uitschrijven oefen je jezelf in het op een nieuwe manier zeggen van de dingen’. De drie opleiders zijn het erover eens dat dit punt persoonsgebonden is. Schaeffer verwoordt dat zo: ‘Ik zou in de opleiding ook zeker zeggen: begin met uitschrijven. Maar als iemand dat op zondag heel krampachtig zou gaan voorlezen, kun je je afvragen of een mindmap hem misschien zou kunnen helpen om losser te worden. Maar in het algemeen kun je qua stijl meer met een uitgeschreven preek. Want de meesten hebben bij het spreken toch een beperkte woordenschat’.
Onderdeel?
Waar zitten nu de verschuivingen, als het gaat om de prediking? Vanouds draaide alles in de kerkdienst om de prediking, maar is de preek de laatste jaren niet steeds meer een onderdeel geworden? Baars: ‘Voor mij is de prediking het hart van de eredienst. In de preek komt het woord van de Here tot ons. Daarmee wil ik niet zeggen dat de rest onbelangrijk is, maar om te zeggen dat de preek slechts een onderdeel is, dat is me toch net iets te vlak’. Ook Schaeffer zou moeite hebben met de preek in de marge van de dienst: ‘Ik denk dat de preek een heel centrale rol in de dienst speelt. Het is in onze traditie immers wel de bediening van de verzoening genoemd. Het is dus een geweldig middel waardoor God ons en via ons de wereld wil bereiken. Aan de andere kant: als men alleen voor de preek naar de kerk zou komen, dan vind ik dat ook bedenkelijk. Ook in de andere onderdelen van de dienst ligt een geweldige rijkdom. Denk alleen al maar aan de groet en de zegen.’. Blokhuis zou de verschillende onderdelen van de dienst niet zo willen uitsplitsen: ‘De kerkdienst is een ontmoeting tussen de Here God en zijn gemeente.
Daarin geeft Hij ons zijn woord en dan komt ons antwoord. Maar ook in ons antwoord zit weer zijn woord.
Wat ik hoop is dat het woord van Christus blijft. Door dat te ‘innen’ komt het vanzelf ook tot ‘uiten’ om te spreken met een onderscheid van wijlen ds. Henk Smit’.
Zangleider
Spannend wordt het natuurlijk als een deel van de dienst door een ander geleid zou worden, bijvoorbeeld door een zangleider, zoals in evangelische diensten. Blokhuis reageert: ‘Dat kan heel verrassend zijn. Waar ik moeite mee heb is dat zo’n zangblok fungeert als een opwarmertje en dat je meteen naar een climax gevoerd wordt. Ik heb het gevoel dat het dan zomaar uit het niets komt. Daarom zou ik het zingen meer willen zien als een antwoord op de verkondiging’.
Schaeffer wijst erop dat zowel uitbundigheid als verootmoediging hun plaats moeten hebben: ‘Met Pasen vind ik het wel passend om meteen uitbundig te beginnen: de Heer is waarlijk opgestaan! Maar dit moet niet standaard. Het is goed om te beginnen met verootmoediging als je de Heer ontmoet. Die ontmoeting is niet vanzelfsprekend. Er waren een keer gasten in onze dienst die zeiden: wat zwartgallig – zo’n moment van schuldbelijdenis en verootmoediging!
Maar dan heb je het niet begrepen’. Baars hecht er aan dat de dienst echt een geheel is: ‘Dat is mijn vraag dan ook met zo’n zangleider: wordt het dan niet een los brokkelig geheel?’.
Audiovisuele middelen
Een andere ontwikkeling is die van de visualisering. De beamer is zijn plek aan het veroveren in gereformeerde diensten. De drie docenten kijken er verschillend tegenaan.
Baars zucht: ‘Het gevaar is dat allerlei visuele middelen de aandacht afleidt van de verkondiging. Die middelen zouden de aandacht er juist naar toe moeten leiden. Het effect bij een beamer is dat alle hoofden naar het scherm draaien. Wat horen ze al kijkend en lezend nog van wat je dan zegt? Om het heel kort door de bocht te zeggen: als ik het met woorden niet meer zou kunnen, zou ik het niet meer doen’. Blokhuis sluit zich daarbij aan: ‘Op een gegeven moment kun je inderdaad de spreker kwijtraken. Dat ben ik eens met Baars. Ik heb zelf een klein beetje het gevoel dat de beamer hoort bij de waan van de dag’. Van de drie docenten heeft Schaeffer als enige werkelijke ervaring met visuele middelen in de dienst. Hij is er positiever over: ‘De beamer is een goed hulpmiddel om bijvoorbeeld de structuur van een tekst inzichtelijk te maken. Op deze manier vind ik wel degelijk dat het Woord en de verkondiging centraal blijft staan. Daarnaast gebruik ik ook beeldmateriaal ter illustratie. Alleen kan dat wel eens afleidend en overheersend zijn. Om die reden heb ik bij het gebruik van iets als een videoclip wel enige aarzeling’.
Verschuivingen in de opleiding
Een niet onbelangrijke vraag is in hoeverre de opleiding inspeelt op het veranderend klimaat rond de prediking.
Schaeffer: ‘In de afgelopen tien jaar is er vooral veel veranderd in de vraag: hoe zet je de preek op? Van de studenten wordt nadrukkelijker gevraagd een preekdoelstelling te formuleren bij hun preekvoorstel.
Daarbij moeten ze aangeven wat ze bij hun hoorders willen bereiken voor hoofd, hart en handen. Verder laten we de verschillende specialisaties van de begeleiders meer tot hun recht komen. Ik verwacht dat dat met de nieuwe NGP nog meer zal zijn’. Blokhuis, kort en krachtig: ‘Tien jaar geleden was het vooral: is het degelijk, klopt het wat je zegt, is het binnen onze belijdenis, is de exegese goed? Nu is het meer: hoe heb je het geschreven, communiceert het goed, bekt het goed, even oneerbiedig gezegd’. Baars vanuit de Apeldoornse opleiding: ‘Er komt steeds meer nadruk op presentatie, spraak en gebaren. Er is veel meer aandacht voor de vertaalslag: hoe breng je het evangelie naar de mens van vandaag? Dat ervaar ik als winst. Tegelijkertijd moet het wel om de inhoud blijven gaan’.
Drie keer een cri du coeur
Een prikkelende vraag bij al die veranderingen is: wat zijn nou de echt belangrijke punten die je meegeeft aan aankomende predikanten? Baars bindt zijn studenten op het hart dat ze in het hele preekproces nadrukkelijk de hoorder in gedachten hebben.’ Dat helpt om bij de wezenlijke vragen te komen en te blijven. Blijf niet staan bij de commentaren, want die helpen je wat die wezenlijke vragen betreft niet altijd veel verder’. Blokhuis bekent een stokpaardje te hebben: ‘Dat is Psalm 81: ‘God heeft ons gezegd nooit gehoorde dingen’.
Dat is wat mensen aan je moeten merken, dat het ongehoord is wat je gaat zeggen. Wát je zegt en hoé je het zegt. En dan wil ik de dingen graag in de breedte zien. Het moet niet te kneuterig worden.
Confronteer de gemeente met het koninkrijk van God. Want Hij is nog meer aan het doen dan wat er met jouw individuele zorgen en zorgjes aan de hand is, even heel kort door de bocht!’ Schaeffer, druk bezig met de voorbereiding van de nieuwe opleiding, zou willen benadrukken dat je als predikant een bijzondere taak hebt: ‘Ik weet dat het ambtelijk gezag in onze tijd onder druk staat. En toch ben je met dat gezag bezig in de prediking. Het geeft ook ontspanning als je preekt in opdracht van de Opdrachtgever. Dan mag je er ook inderdaad staan’. Naast dat ambtelijke gezag stelt Schaeffer ook dat je als predikant beslist zelf geraakt moet worden door de tekst die je kiest: ‘Als predikant ben je toch echt een medium, geen postbode. Als het jou niet geraakt heeft, dan kun je ook niet verwachten dat het de gemeente zal raken’. Hij geeft in alle openheid aan dat dit wel eens een spanningsveld oproept: ‘Ik bedoel, dat je gehaast bent en dat je vergeet stil te worden voor God. Je kunt bij het bijbellezen de ervaring hebben dat je zegt: dit is zo groot! Dat je bijvoorbeeld beseft hoe diep Jezus in Getsemané gegaan is! Dan mag ik wel even stil worden: Heer, laat me zelf zien wat dit nou is. Niet dat ik dit altijd bij elke tekst heb, hoor’.
Arie Baars (1947) deed kandidaatsexamen klassieke talen in Leiden. Vervolgens studeerde hij theologie in Apeldoorn en volgde homiletiek bij W.H. Velema. Inmiddels heeft hij 32 jaar predikantservaring waaronder zeven jaar in Canada met engelstalige preken. In 1995 werd hij door de synode benoemd voor de ambtelijke vakken. In 2005 promoveerde hij op het gebied van de dogmatiek. Voorbeeld: o.a. W.H.Velema. Fred Blokhuis (1963) studeerde in 1988 af bij het Nederlands Gereformeerd Seminarie (NGS) te Amersfoort. Inmiddels is hij zeventien jaar predikant. Sinds een paar jaar is hij docent ambtelijke vakken bij het NGS. Voorbeeld: Okke Jager. Johan Schaeffer (1947) heeft 34 jaar ervaring als predikant. Hij deed zijn opleiding deels in Kampen waar hij homiletiek bij C. Veenhof volgde. Daarna studeerde hij in Amsterdam aan de Vrije Universiteit waar hij meer nadruk op de vormgeving meekreeg bij S.J. Popma en J. Thomas. Hij deed doctoraal in Apeldoorn op het gebied van kerkgeschiedenis van de 19e eeuw. In 1995 werd hij begeleider bij de Theologische Studiebegeleiding (TSB) voor kerkgeschiedenis, kerkrecht en de praktische theologie. Dit jaar start hij als kerndocent bij de nieuwe Nederlands Gereformeerde Predikantenopleiding (NGP). Voorbeeld: eigen vader (behalve zijn perfectionisme). |