Preken bij een veranderend decor

2006-05-26
  • Jaargang 50
  • nummer 11
Wat is er in uw diensten veranderd vergeleken met de eerste gemeente? Die open vraag was door pril begonnen predikanten moeilijk te beantwoorden, maar de rest kwam steevast met een drieslag: de sterk gegroeide inbreng van gemeenteleden in de dienst, de gewijzigde liedcultuur en de algehele opzet van een dienst, die vrijer is geworden, met meer ruimte voor het spontane.

De tweede verandering zie je terug in de antwoorden op vraag 12. De emeriti heb ik hier even buiten gehouden, want hun gegevens gaan (zo is mijn indruk) terug op de tijd dat er alleen uit het liedboek werd gezongen.
Maar wie in 2006 een dienst leidt heeft het liedboek weliswaar als stevige basis, maar haalt toch 1/3 van de liederen van elders. Het evangelische lied scoort daarbij hoog.

Kritisch
Ook de grotere inbreng van gemeenteleden in de dienst geeft onze zondagse samenkomsten een andere sfeer. Geen one-man-show meer, wordt dan gezegd, al heeft het met de ‘show’ in een doorsnee gereformeerde dienst nooit zo’n vaart gelopen. Hier en daar werd trouwens door de predikanten wel een kritische kanttekening geplaatst.
Komt bijvoorbeeld de lezing van de tekst beter tot zijn recht als een gemeentelid dat onderdeel voor zijn of haar rekening neemt? ‘Lezen is een kunst die niet ieder beheerst’, schreef iemand. ‘Geen participatie omwille van de participatie’, liet een ander weten. Datzelfde werd gezegd bij de gebeden door een ouderling van dienst of ‘gewoon’ gemeentelid.
Constructief was de suggestie om voor zulke lezende en biddende gemeenteleden een lijstje met aanwijzingen te maken! En de predikant is natuurlijk ook niet boven zulke kritische kanttekeningen verheven, want hoe helder en doorleefd leest hij en hoe is zijn voorbereiding van de gebeden?

Zangleider
Wat ingrijpender in dit verband is de evangelische variant, waarbij de zangleider een groot deel van de dienst verzorgt en de voorganger alleen de preek houdt. Die opzet wordt onder ons nog weinig gepraktiseerd, maar door de meeste predikanten ook niet bij voorbaat verworpen. Er is wel vrees, dat de samenhang in de dienst onder die aanpak zal lijden. Een aantal predikanten gaf aan dat ze de dienst in de loop van de jaren meer als een geheel zijn gaan ervaren, met de preek als een vitaal onderdeel. Vitaal dus, maar tegelijk ook als déél van een groter geheel. En dat is anders dan dertig jaar geleden, toen het gewoon om de preek ging. Zo’n meer liturgische bewustwording hoeft een evangelische opdeling van de dienst tussen prediker en zangleider niet uit te sluiten, maar scherpt wel het oog voor het grote geheel. Een dienst heeft ergens toch ook iets architectonisch. En liederen zijn niet alleen maar muziek, dus het pakkiean van de muzikanten. Het zijn gezongen téksten. ‘Ik heb dit nooit meegemaakt’, schrijft een emeritus, ‘maar ik zou wel de supervisie willen behouden’. Daarin zullen de meeste Nederlands gereformeerde predikanten zich wel herkennen. Grappig eigenlijk, dat evangelische voorgangers, die niet vies zijn van leiderschap, in de kerkdiensten afzien van een greep op het totaal, terwijl de democratische gereformeerde dominees in en rond de kerkdienst meer leider zijn dan ze vaak denken.

Praktischer
Bij de veranderingen rond de preek vallen twee punten op. De preek is korter en toegespitster geworden.
Tegelijk is het volgens eigen zeggen (!) praktischer dan in de eerste gemeente, met meer ruimte voor de persoonlijk beleving van zowel de predikant als de gemeente. Bevindelijker schreef een emeritus en dat zal de christelijk gereformeerden goed doen. Nu zullen een aantal verschuivingen, van academisch-dogmatisch-exegetisch naar praktisch-pastoraal zich in alle tijden hebben voorgedaan. Ook oudere predikanten vonden hun eerste preken ‘volgestopte exegetische en dogmatische worsten’. En ook toen beterde dat.
In dit paragraafje zit ongemerkt veel stof tot overdenking voor u en jou als geregelde kerkganger. Herkent u die grotere aandacht voor u als hoorder? En ook dat de preken van nu meer op het hart dan op het hoofd gericht zijn? Dat je er ‘meer mee kunt’, dan in vroegere tijden? Maar is er misschien ook verlies, omdat de prediker meer oog heeft voor zijn hoorders dan oor voor het bijbelgedeelte, wat bijbels gezien iets verschralends zou kunnen hebben. En zou dat kunnen samenhangen met het verschijnsel dat gemeenteleden hun bijbel ‘s zondags vaker dicht of thuis laten?

Opleiding
Boeiend is het om in tijden van grote veranderingen te horen hoe predikanten terugkijken op hun opleiding en ook de begeleiding van de TSB. Dat is natuurlijk niet de opleiding en de begeleiding van nu, waarover u in het interview met Baars, Schaeffer en Blokhuis leest, maar die van de tweede helft van de twintigste eeuw.
Positief was men terugblikkend over het onderwijs in de talen en de exegese, waarbij namen als die van ds.
De Jong en prof. Versteeg voorbijkwamen. Maar ook als het gaat om de samenhangen in de theologie wordt met ere de naam van ds. (Henk) Smit genoemd. En een emeritus dacht met warme gevoelens terug aan prof.
Veenhof. Positieve herinneringen zijn er verder bij de preekbesprekingen tijdens de TSB bijeenkomsten. Al kwamen bij dit onderdeel ook de scherpe kritische kanttekeningen. Het was zo weinig praktisch, geen aandacht voor het communicatieve en de hoorder en nauwelijks oog voor de samenleving.
Die kritiek spoort dus keurig met de veranderingen, die men in eigen preekwerk werk heeft doorgemaakt.
Al zijn opleiding en TSB daar in latere jaren wel in meegegroeid, schreef iemand.

En verder
Zo gaat het natuurlijk ook. De opleiding loopt onontkoombaar een paar stappen achter de feiten aan, zeker als je bedenkt dat een opleiding voorbereidt op de jaren die nog moeten komen. Waarbij komt, dat er in het opleidingstraject keuze’s moeten worden gemaakt. Er is geen tijd om al die verschillende facetten - alleen al rond preek en dienst - uitvoerig te behandelen. Des te beter is de gedachte om predikanten in de eerste jaren van hun predikantschap meer begeleiding te geven. Om zo als doende te leren. Ook als het gaat om preken en diensten, want de werkelijk inhoudelijke respons komt er vanuit de gemeente niet zoveel, zoals wel bleek.

Wisselwerking
Laat ik afsluiten met de vraag naar de wisselwerking tussen de zondagse dienst en de andere activiteiten van de predikant (vraag 35). Dat het pastoraat hoog scoort zal niemand verbazen. Predikanten doen er hun inspiratie op, maar komen bij een bezoek ook nog wel eens terug op een gehouden preek. Hoge ogen gooit ook een periode van studieverlof. ‘Nooit gehad, goede zaak’, schreef een emeritus. En een ander geeft aan dat studie in meer algemene zin ‘van levensbelang’ is. Dat zijn ook eigenlijk weer die twee polen, waar het in de verkondiging om draait. De aandacht voor het Woord en de liefde voor degene aan wie het evangelie verkondigd mag worden. Iets van oor en oog en dat lijkt me mooi als besluit.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief