Jank kamp

2003-11-21
  • Jaargang 47
  • nummer 23
Ik had het kunnen weten.
Ze noemen het niet voor niets zo.

Onze derdejaars mogen om de stage voor te bereiden met z’n allen naar een vormingscentrum om gekneed en gevormd te worden tot goede stagiaires.
Enfin, we besteden dit delicate werk uit aan iemand die daarvoor heeft doorgeleerd en zo belanden we in een naar de jaren ‘80 ruikend vormingscentrum in een genabuurde stad.
Stoffige sofa’s afgewisseld met sjofele tafeltjes. Het enige eigentijdse zijn de hypermoderne brandalarmen aan de muur.
Een centrum dat ooit in de geitenwollensokken tijd gestart is en door wonderlijke hardnekkigheid van bezoekende scholen nog steeds mag bestaan.
De vormingsleider voldoet aan alle vooroordelen; baard, alpino pet, oude Renault en blijkt heel erg eigenwijs.
Maar ja, als een deskundige slager met fileermes haalt hij in tweeëneenhalve dag de ruwe randjes van de leerlingen en komt tot rap tot de kern: ‘Wie ben jij en wat heb jij aan kwaliteiten om voor het kind van een ander te zorgen.’

En daar zitten we in kringetjes en stappen we vrolijk rond in de schrale winterlucht.
We bouwen vlotten voor de onderlinge samenwerking, vallen van ladders in de armen van medeleerlingen (om het vertrouwen te bevorderen) en natuurlijk sjokken we geblinddoekt door het bos met een zacht fluisterende medeleerling als begeleider naast ons.

Als het niet zo grappig was, zou je er hard om lachen.
Stagevoorbereidingsdagen.

Ik heb God gevraagd mee te gaan.
Mijn Heer en Verlosser mee op zulke dagen maakt ze waardevol en zinvol.
Het begint hoopgevend.
In de eerste nacht spreek ik Lenno.
Een gave gozer. Hij deelt persoonlijke zaken en in die nacht bidden we samen op de oude versleten bank in het kleine kamertje.

De volgende avond wordt het serieus.
Ik heb nachtdienst -met- Oftewel, wel als laatste naar bed, maar biertje mag wel. (De nachtdienst -zonder- slaapt al en wordt enkel geroepen als er gereden moet worden in noodgevallen.)

Ik spreek in de nacht met een aantal leerlingen over zaken die wezenlijk zijn.
Ernstige gezichten, blijde jonge mensen, WWJD en PUSH armbandjes.
Dan verlaat de laatste niet gelovige leerling het barretje. Het is 02.15 uur.
We zien de deur dichtvallen en ik zeg: ‘Zullen we bidden?’ Instemming. Opluchting. En een van: ‘Ik dacht dat je het nooit zou zeggen’ blik.
We bidden samen een kringgebed en als meest beste voorbereiding op hun stage vraag ik God met ze mee te gaan. Daarna zegen ik ze stuk voor stuk in deze nacht.
Het voelt goed. Zuiver. We glimlachen en voelen ons dankbaar als we de bedden opzoeken.
Met God op kamp.

De volgende ochtend is iedereen moe.
In groepjes van 8 leerlingen met een docent doen we een feedback-spel.
Met honder kaartjes vol mooie woorden (geluk-warmte-stilte-pijn-zon-buiten-geloof-kracht-hoofd etc) geven we elkaar feedback.
De eerste worden weggegeven.
Lenno lacht: ‘Zo wordt het wel een jank kamp he, we zijn heel moe en dan zo’n oefening doen.’ ‘Ja, slim hè,’ lach ik.
Een uur later hebben 4 van de 8 gehuild.
Van ontroering, warmte, maar ook van pijn.
Het voelt goed.
Ze mogen, en voelen zich vrij. Vrij om open te zijn. Je vertrouwd te voelen.
Maskers mogen af. Ik zie echte gezichten.
We zijn open.
Ik ook.
Ik deel met 8 jonge mensen van achttien jaar mijn passie voor het verlorene.
Ik voel mijn hart opengaan.
Laat het toe.
Ik huil terwijl ik vertel over mijn ‘drive’; wie God voor me is. Wat Jezus deed. Hoe wij liefdevolle relaties moeten en mogen onderhouden in een verrotte en gebroken wereld.
Waarom ik werk met jongeren.
8 leerlingen om me heen….7 huilen mee. Ik zie het.
Ik ben blij en ik baal… Stom jank kamp.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief