Jonge dominee in ‘voorpost’ Rijsbergen
2006-06-09
Maikel de Kreek (30) ‘staat’ nu zo’n twee jaar in zijn eerste gemeente, Rijsbergen. Een voor NGK-begrippen afgelegen voorpost. ‘Mijn jaren in de woestijn’, grinnikt hij. Een jonge dominee, die pas later tot geloof kwam en gezegend is met gevoel voor public relations. Al lijkt dat meer te werken naar de buitenwereld, dan naar zijn collega’s. ‘In die twee jaar hier ben ik drie keer door een NGKcollega gebeld, onder wie mijn mentor.’ Een terugblik op de eerste tijd van een jong domineesgezin in zijn eerste gemeente.- Jaargang 50
- nummer 12
De Kreek werd geboren in Zaanstad. ‘Op mijn tiende verhuisden we naar Heemstede en kwam ik op een christelijke basisschool. In onze groentezaak kwamen ook NGK’ers en zij nodigden mijn ouders uit voor een gesprek over het geloof. Ds. Ton Vos speelde daarbij een belangrijke rol en in 1989 werd ons hele gezin gedoopt. Ik zat in de brugklas en voelde, dat God meer wilde met mijn leven. Daarom deed ik na MAVO, HAVO en VWO de cursus klassieke talen in Kampen. Normaal duurt die een jaar, maar ik had anderhalf jaar nodig, op mijn tandvlees. ‘Dominees Ton Vos en Paul Kurpershoek vonden de Christelijke Gereformeerde theologische universiteit in Apeldoorn de beste opleiding voor mij; die zou me meer basiskennis bieden. En ik ben nog steeds blij met die keus. Niet om te slijmen, maar ik heb onwijs veel aan die zes jaren gehad.’
Flitsberoep
Op een evangelisatiekamp ontmoette hij zijn vrouw Caroline Quist (29) uit Nieuw-Beijerland, een (kinder)fysiotherapeute. Eind 2003 was hij klaar in Apeldoorn en een dag na zijn beroepbaarstelling had hij zijn eerste beroep binnen. Van Rijsbergen. Twee dagen later volgde Alkmaar. ‘Eigenlijk gingen we in eerste instantie allebei voor Alkmaar. We hadden in Rijsbergen alleen een informatiedag gehad. Maar toen ik na een preekbeurt in Den Helder terugreed naar huis, flitste het opeens door me heen: God wil mij in dat kleine Rijsbergen. Heel apart; in die laatste week kreeg ik ook kaartjes en telefoontjes uit Rijsbergen. Als een soort bevestiging. Wij moesten, hoewel ik een conservatief stempel droeg, naar het “progressieve” Rijsbergen.’ Hij ziet om zich heen, dat andere studenten niet zo makkelijk aan een baan komen. ‘Je presentatie en hoe je sociaal bent, wegen mee in beroepen. Maar in feite word je aangenomen op je preek, verder kennen ze je niet.’
Jonge gemeente
Rijsbergen is een jeugdige gemeente. En daarvoor is De Kreek mede aangetrokken. ‘Ik denk dat er van de krap 200 gemeenteleden zo’n 35 in de leeftijd van tien tot 23 jaar zijn en zeker zeventig in de leeftijd van nul tot 25 jaar. Het is een echte streekgemeente met leden van Moerdijk tot Tilburg, uit Zeeland, uit Hoogstrate en uit Antwerpen. Deze leden zitten zondags een klein uur heen en een klein uur terug in de auto en doen dat ook voor onder meer de huiskringen en de catechisaties. De catechisaties duren twee uur en hebben we elke twee weken. Er is nog geen jeugdvereniging, maar daar wordt aan gewerkt. Het is een gedreven gemeente met veel activiteiten.’ Hij is vooral aangetrokken voor jongerenwerk en evangelisatie, dus heeft de gemeente onder meer een Alphacursus en zit de groei er in.‘Toen ik hier kwam, hadden we 170 leden. Nu zijn het er zo’n 200. En dat moet ook, want als steunbehoevende kerk ligt er een programma van vijf jaar, waarin ik als fulltimer moet zorgen voor groei, zodat de gemeente zelf meer kan opbrengen.’ Die groei maakt nu een uitbreiding van het kerkgebouw met 150 vierkante meter noodzakelijk. Dat gaat dienen als jeugdhonk, maar ook voor cursussen en inloopochtenden. Er wordt gewerkt met een ‘jeugdvisie’.
‘De jeugdouderling en acht jeugdpastors hebben samen vier jeugdwijken met in elke wijk tien jongeren. We zien veel groei in de leeftijdsgroep van vier tot twaalf jaar.’
VVR uit
Hij en zijn vrouw hebben regelmatig jeugd aan huis en af en toe komt een jongere ‘een bakkie’ doen. Wat niet wil zeggen, dat hij de ouderen veronachtzaamt. ‘Zij zijn je draagvlak, weten hoe alles is ontstaan en dat moet je respecteren.’ Zijn andere jeugd ziet hij op een heel andere plek. ‘Een catechisante vroeg of ik trainer wilde worden van haar voetbalelftal. Ik heb alle papieren als jeugdtrainer en tijdens de studie in Apeldoorn was dat zowel een mooie bijverdienste als een goede uitlaatklep. Maar goed, dat team van haar verloor gewoonlijk met 16-0, dus alle eerdere trainers waren na een paar keer weggelopen. Maar al na enkele trainingen wonnen ze voor het eerst een bekerwedstrijd met 4-1.’ Uit tegen dames B-junioren van Voetbalvereniging Rijsbergen, altijd lastig.
Vroege preek
Vanaf het begin heeft hij zijn tijdsbesteding goed in de gaten gehouden. ‘Je neemt je werk altijd mee. Je loopt te denken over een preektekst, gaat op bezoek. Je moet dus opletten dat je niet elke avond weg bent.
Vrijdagavond ben ik altijd vrij en zaterdag is mijn vrije dag. Op maandag kies ik mijn tekst, de exegese en de liturgie en dinsdag en donderdag maak ik mijn preek. Voor tachtig procent schrijf ik die dinsdag en dan laat ik hem nog twee dagen sudderen in m’n hoofd. De liturgie gaat maandag naar het beamerteam, het geluidsteam en de musici, zodat zij zich kunnen voorbereiden en wordt dan ook vermeld op de website www.ngk.nl/rijsbergen.’
Weinig contact
De eind jaren vijftig vanuit de Gereformeerde Kerk (vrijgemaakt) in Breda gestichte voorpost Rijsbergen ligt nog steeds wat geïsoleerd. ‘Ik heb niet zoveel contact met naburige gemeenten als Eindhoven, Maastricht en Almkerk-Werkendam. Van der Veer uit Dordrecht is mijn mentor en we spreken elkaar zo’n vier keer per jaar. Maar ik bel zelf ook niet zo gauw met een collega. We hebben wel regelmatig regionaal overleg met de PKN in Etten-Leur en Zundert, de evangelischen en de Gereformeerde Kerk (vrijgemaakt) in Breda.’
Eigen recept
Zijn Apeldoornse opleiding noemt hij ‘vooral theoriegericht’. ‘Het is goed, dat de praktische aanpak van de Theologische Studiebegeleiding daar ook een rol gaat spelen. Het werd trouwens al wat minder stoffig. Ik vond een vak als catechetiek prachtig, alleen jammer dat het voor tachtig procent ging over hoe Calvijn het deed. Het moet meer de kant op van cursussen, nieuwe werkvormen. ‘Moeilijk te zeggen, welk deel van je opleiding je in de praktijk echt gebruikt. Het is te vergelijken met een kok, die veel theorie meekrijgt en op basis daarvan zijn eigen recepten gaat samenstellen. Van alles gebruik je wel iets.’ Gevraagd naar het verschil tussen een HBO’er en een universitair geschoolde dominee, wijst hij op de ‘extra bagage’, die een theologiestudent in zes jaar meekrijgt. ‘Een HBO’er heeft in theorie minder diepgang, maar ik denk dat ik veel van zo iemand zou kunnen leren op praktisch gebied. En ik denk niet dat de gemiddelde luisteraar het verschil hoort tussen een universitaire en HBO-preek.’