Wat kan er met míj gebeuren?

2003-12-05
  • Jaargang 47
  • nummer 24
Ieder mens kent angsten. Hoe vreemd het ook klinkt: bang zijn is nuttig, we worden alerter en wapenen ons tegen gevaren. Kinderen die niet bang zijn vormen een gevaar voor zichzelf én hun omgeving. Angsten horen er dus bij. Bij kinderen lopen fantasie en werkelijkheid sterk door elkaar. Dat heeft consequenties voor de manier waarop we bijbelse geschiedenissen vertellen.

Alle kinderen zijn bang, maar er zijn grote verschillen tussen kinderen. Het ene kind is veel eerder van slag dan het andere. Waarom dat zo is behandelen we niet in Opbouw. We volgen chronologisch – en zeer globaal - de ontwikkeling van kinderen.
Hoewel baby’s al lichamelijk op gevaar reageren (bijv. op lichtflitsen, harde geluiden en het niet goed vastgehouden worden) spreken de meeste auteurs dan nog niet over angst, omdat een baby nog niet kan voorspellen dat er iets gaat gebeuren.
De eerste opvallende angst bij kinderen is de zogenaamde scheidingsangst.
Een kind van ongeveer acht maanden oud wordt meestal eenkennig: het reageert angstig als bekende mensen ‘verdwijnen’ en/of als vreemden te dicht in de buurt komen.

Peuters
De peuter ontdekt steeds meer dat hij invloed heeft. ‘Als ik dit doe dan gebeurt dat’. De andere kant van deze controle is de angst voor dingen waar de peuter géén grip op heeft.
Het thema van de controle is wezenlijk voor het begrijpen van de angsten van peuters en kleuters, maar ook voor álle levensfasen die volgen. Als volwassenen bang zijn speelt daarbij eigenlijk altijd de angst de controle te verliezen een grote rol.
Eén van meest voorkomende angsten bij peuters in de angst voor het haren wassen en knippen. Er wordt een stukje van je lichaam afgeknipt, je moeder zei altijd dat de schaar ‘au’ was, je kunt niet zien wat er allemaal gebeurt, je handen zitten onder een doek en misschien zegt je moeder zelfs nog: ‘Stil zitten, anders knipt de kapper een stuk van je oor af.’ Een ander type angst is de verlatingsangst.
Het kind ‘ontdekt’ dat het bij zijn moeder weg kan lopen. De keerzijde van het zélf weglopen is echter dat het kind ook bang wordt dat mamma bij hem weg kan lopen. Dit is de periode waarin een nachtlampje aan moet en waarin veel ouders hoorbaar in huis aanwezig moeten zijn totdat hun peuter in slaap valt.

Tekortschietend begrip
Een deel van de angsten wordt veroorzaakt doordat kinderen situaties niet kunnen begrijpen. Selma Fraiberg noemt dit de magische wereld van het kind. Als het legoblokje in de stofzuiger kan verdwijnen kun jij ook door de slang opgezogen worden. Als het water door het afvoerputje van het bad verdwijnt kun jij ook zomaar door het afvoerputje verdwijnen.
Vooral onze taal is voor peuters soms volkomen onbegrijpelijk. Vader zegt: ‘Je eet de oren van mijn hoofd,’ waarop de peuter angstig naar de oren van vader kijkt.
Als je uit de bijbel vertelt voor een peuter moet de geschiedenis concreet en sober verteld worden. Wat is er toen gebeurd? De ondertoon van de vertelling en van het bidden zijn dat God altijd voor ons zorgt. Ook als de verteller zijn eigen vragen en zorgen heeft is het van belang om aan de peuter duidelijk te maken dat God ons altijd vasthoudt en beschermt.
Thema’s als zonde en straf zijn voor peuters in de bijbelse geschiedenis vaak nog te abstract en daardoor ook te beangstigend.

Kleuters
Kleuters hebben veel fantasie, maar ze kunnen ook bang worden voor hun eigen fantasieën. Dat komt omdat ze nog niet goed onderscheid kunnen maken tussen wat ze hebben bedácht en wat er werkelijk gebeurd is. Ook een spannend verhaal dat wordt voorgelezen voor het slapen gaan lokt ’s nachts gemakkelijk een nachtmerrie uit. Als de verteller ’s avonds de Israëlieten op de vlucht laat gaan voor de Farao, maar pas de volgende dag over de redding van het volk Israël verder vertelt is de kans groot dat het kind ’s nachts onrustig slaapt. Het heeft zich helemaal ingeleefd in de geschiedenis van de uittocht.
Sommige vertellers neigen ertoe om in allerlei verbeeldende vormen uit te leggen wat bijvoorbeeld de zonde betekent. Een predikant voegde aan een glas met vuil water bleekwater toe. Hij vertelde dat God op dezelfde manier ons leven weer rein kan maken.
Het gevolg was dat een (angstig aangelegde) jongen bleekwater dronk omdat hij zonde had gedaan.
Kleuters worden bang voor onverwachtse dingen die kunnen gebeuren.
Hun vraag is dan vooral: ‘wat kan er met mij gebeuren?’ Ze horen allerlei dingen, maar kunnen die geen concrete plaats geven. Vooral de angst voor beschadigingen aan het eigen lichaam kan in deze periode een grote rol spelen. Het is niet zozeer de pijn van een prik, maar de vraag wat er met je lichaam gebeurt dat angst oproept (een gat in je arm, je loopt leeg).
Vaste rituelen (zoals het iedere avond voorgelezen worden uit de bijbel en het samen bidden) zijn voor kleuters erg belangrijk. Wat de manier van vertellen betreft: er zijn mensen die de gave hebben om zeer verbeeldend te vertellen. De kinderen luisteren ademloos naar de bijbelse geschiedenis. In relatie tot de kinderangsten past – zeker bij de kleutersoberheid én is het ook belangrijk om na te gaan welke geschiedenissen te belastend zijn voor kleuters. Een vijfjarige kleuter was bang geworden van de bijbelse geschiedenissen die de juf op school vertelde. Naar later bleek was deze juf soms zó beeldend in haar vertelling dat het hem moeite kostte om weer terug te komen in zijn eigen realiteit. Hij had niet alleen de geschiedenis gehoord van Jakob en Isaäk, hij dacht ook dat zijn vader in staat was om hém te doden.

Van zes tot twaalf jaar
Rond de zes á zeven jaar gaat er een nieuwe wereld voor kinderen open.
Ze leren schoolse vaardigheden zoals lezen en schrijven.
De meest bekende angst in deze leeftijd is de ‘stel je voor dat’ angst. Het kind gaat zich allerlei situaties inbeelden.
Stel je voor dat papa niet meer thuis komt, stel je voor dat het oorlog wordt, stel je voor dat ik mijn zwemspullen vergeet.
Kinderen in deze leeftijd zijn gevoelig voor de mening van klasgenoten. Ze worden bang dat ze niet mee kunnen doen of niet meetellen, en wat later in de ontwikkeling: dat ze niet geaccepteerd zullen worden.
Overgevoeligheden kunnen zijn: de kleding, het idee uitgelachen te worden, het gevoel dat je niet mee kunt doen en buiten de groep valt, je uiterlijk.
Opvoeders hebben nogal eens de neiging om de geschiedenissen veel te moralistisch ‘neer te zetten’. Een predikant vertelde in de preek dat we – als we zondigen - eigenlijk iedere keer een spijker door het lichaam van Jezus slaan. En, zo voegde hij er aan toe: ‘Dat willen jullie toch écht niet, hè kinderen, de Here Jezus pijn doen?’ Veel bijbelse geschiedenissen zijn op deze leeftijd toegankelijk voor kinderen.
Ze kunnen troost putten uit geschiedenissen waarin ze zich herkennen.
Het is voor hen erg belangrijk dat God jou accepteert zoals je bent en dat je er bij mag horen. Zo leefde een negenjarige jongen die somber was en vaak gepest werd helemaal op bij de geschiedenis van Jozef die uit de put werd gehaald en uiteindelijk zelfs onderkoning van Egypte werd. Hij wilde deze geschiedenis vaak ’s avonds horen, ging ook zelf in de bijbel lezen en hij tekende het verhaal van Jozef uit in zijn eigen tekenboek.
Daarmee zijn we direct ook bij datgene wat voor volwassenen belangrijk is: het geloof en het vertrouwen dat God de controle houdt, ook als wij de grip op ons leven kwijt raken.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief