Fijne vakantie

2002-01-11
  • Jaargang 46
  • nummer 1
Docenten zijn geen hulpverleners en er zijn altijd leerlingen die je helpen dit te onthouden. Die leerlingen houden je handig op afstand. Rosa is zo’n leerling.

In het eerste leerjaar lacht Rosa als ik iets vraag, wuift zij problemen weg en brengt zij vriendelijk persoonlijke gesprekken op andere onderwerpen.
Haar vader is overleden tijdens zijn werk in het leger. Twee jaar terug. De pijn staat nadrukkelijk in haar ogen, maar ze vecht dapper lachend tegen elke mogelijk opkomende traan.

Rosa heeft een oudere zus en haar moeder is aan een oog blind.
Moeder is wel eens depressief. Ik weet dit allemaal uit het eerste tienminuten gesprekje wat we hadden op school.
Dit gesprek ging helaas meer over moeder dan over Rosa.

Rosa heeft een vriendin met wie ze alles deelt. En dit is genoeg.
Dit schreef ze in een verslag over zich zelf. Docenten gaat het niks aan over hoe ik in elkaar zit en vinden je pas goed als je een probleem hebt. Nou, Rosa had geen problemen die docenten moesten weten, schreef ze dapper in haar werkstuk.

Met lichtgroene pen schreef ik er bij: ‘Gelukkig maar, stel je voor dat je ze wel had...’

Net voor de kerstvakantie komt Rosa bij me.
Ze wil praten.
En terwijl ze het zegt, breekt ze af.
Huilend zegt ze dat haar vriendin haar gestuurd heeft.
‘Het gaat over mijn eten,’ zegt ze, ‘Ik eet me helemaal klem en braak het dan weer uit. Ik ben doodziek van mezelf.’

Die middag zeg ik mijn andere afspraken af.
Ik spreek wel vaker meiden die iets dergelijks hebben, en ik voel aan dat ik Rosa deze middag ruimte moet geven.
Eten en daarna braken is niet hetprobleem.
Het is het symptoom. En een meisje wat walgt van zichzelf… bedenkt dat niet zomaar.

Die middag vertelt ze me dat het de vriend van haar zus is. Al anderhalf jaar komt hij over de vloer en sinds een jaar zit hij stiekem aan Rosa. In het begin speels dollend, onschuldig.
Per ongeluk raakt hij een verboden lichaamsdeel aan. Iedereen lacht.
Gezellige sfeer. Niet moeilijk over doen.
‘Ja, ja’, schampert een felle Rosa: ‘Maar hij pakt me van achter bij mijn borsten als er niemand is. Hij doet het op de trap, in de gang en in het achterkeukentje.
Zelfs als ik achter de pc zit en een verslag maak. En hij doet nog veel meer…’

Ik vraag haar wat ze wil.
Ze zegt dat het moet stoppen, maar dat ze geen aangifte wil doen. En het ook aan niemand wil zeggen.

Rosa vertelt dat ze het thuis niet kan en wil vertellen. Haar zus zou beschadigd worden, moeder depressief en wellicht gelooft niemand haar.
Rosa heeft ontwijkingmechanismen ontwikkeld. Gaat de kamer uit als hij komt, doet haar slaapkamer op slot.
Zit niet alleen in de kamer te computeren.
Gaat logeren bij vriendin als haar belager een weekend over de vloer is.

Ik ben er stil van.
Als het zo meteen kerst is, zit ze daar naast de kalkoen aan tafel met een onbetrouwbare aanrander. Als ik aan die gozer denk, komen woedende gedachten bij me op.

Ik bespreek met haar de opties. Maak afspraken en geef tips voor de komende dagen. Adviseer contact met het FIOM. Geef zelfs mijn 06-nummer.
Ze laat me achter met een bizar ongemakkelijk gevoel.

En dan wordt het kerst, oud en nieuw en komt er een eerste maandag op school.
Rosa komt mijn kantoortje binnen en lacht zoals zij alleen kan lachen.
‘Mijn zus heeft zich verloofd en gaat over een half jaar trouwen. En ze heeft mij als getuige gevraagd…’

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief