Ds De Jong en minder evangeliseren (1)
2002-01-25
Dominee De Jong stelt in zijn twee artikelen over de kloof en de brug dat de kerk te evangelisatiegezind is en teveel met ‘buiten’ bezig. Als ik het mij goed herinner riep dominee De Jong eerder al eens op om te wachten met evangeliseren totdat wij interne discussies zoals over homoseksualiteit afgerond zouden hebben. Daar volgde destijds de treffende reactie op van dominee Strating dat tijdens de verbouwing de verkoop gewoon doorgaat.- Jaargang 46
- nummer 2
Nu dus opnieuw de oproep minder te evangeliseren met als redenen de interne zorg voor geestelijk verwaarloosde ouderen, de noodzaak voor meer pittige prediking, de geringe ontvankelijkheid van de huidige Nederlandse bevolking voor het evangelie waarmee zij in de naoorlogse tijd al lang genoeg benaderd zou zijn en onze onmacht om die diepe en brede kloof als mensen te overbruggen, in weerwil van onze zelfoverschatting, geëtaleerde blijdschap en allerlei kunstmiddelen. Dat vraagt om een reactie.
Oproep versus roeping
Mijn allereerste bezwaar tegen de twee artikelen is dat, wanneer aan de oproep van De Jong gehoor gegeven zou worden, er van de roeping van de kerk om het evangelie te verkondigen aan alle volken weinig meer overblijft dan een kerk die zwijgt, in raadselen spreekt, intern gerichte pittige preken houdt, op verzoek nog wel verantwoording wil afleggen van haar geloof, maar de eenvoudige heldere evangelieverkondiging overlaat aan de overzeese zending.
Evangelisatie begint volgens mij uiteraard met het liefhebben van God, maar dan ook tegelijk met gehoorzaamheid aan de zendingsopdracht van Jezus Christus aan de kerk, een opdracht dus aan alle christenen gezamenlijk.
Dat is bijbels. De zendingsopdracht als wezenlijk onderdeel van de roeping van de kerk en gehoorzaamheid aan die roeping passen ook geheel in onze gereformeerde traditie, mocht de Bijbel dat menselijke getuigenis nodig hebben.
Na gehoorzaamheid en liefde voor God volgt in navolging van Christus de liefde voor een verloren wereld.
Eerst misschien nog abstract, totdat in evangelisatiecontacten het verlorene een gezicht krijgt.
Verantwoording hier en nu
Het beeld uit Ezechiël 33 van de wachter die (gehoorzaam) moet waarschuwen maakt duidelijk: wij dragen wel de verantwoordelijkheid voor het verkondigen van het evangelie, maar daarmee dragen we niet de verantwoordelijkheid voor het al dan niet aannemen van dat evangelie. Die verantwoordelijkheid van ons is een verantwoordelijkheid in het hier en nu.
Vanuit Jeruzalem, naar Judea en Samaria, en dan tot het uiterste der aarde (Handelingen 1:8) duidt misschien ook wel aan dat al ons getuigen begint in de directe omgeving en van daaruit verder gaat. Hoe het ook zij, wij hebben toch allereerst het hier van onze woonomgeving en ons thuisland en het nu van onze tijd van leven om aan de zendingsopdracht gehoor te geven.
Net zoals elke generatie aangesprokenen toch alleen gehoor kan geven aan h et appèl van die evangelieverkondiging op de plaats waar zij leven en gedurende de tijd dat zij leven.
Nederland over ..n kam
Maar moeten we De Jong niet enigszins gelijk geven in zijn hierboven kort weergegeven oordeel over de huidige tijd c.q. generatie in Nederland?
Persoonlijk durf ik zo een massieve beoordeling van ongelovig Nederland niet aan. Miljoenen verloren schapen over één kam scheren, zeker als aan dat oordeel de consequentie wordt verbonden dat die schapen van vrijwel alle evangelisatie verstoken moeten blijven, daar pas ik voor. Kent De Jong bijvoorbeeld de jongste generaties goed genoeg voor zo’n somber oordeel? Ik betwijfel het.
In mijn werk als voorganger van een gemeente die evangelisatiegezind is en met ‘buiten’ bezig is, kom ik in ieder geval regelmatig individuele gevallen tegen waarmee het hoopvoller gestemd is. Een nieuwe generatie ongelovigen die open en positief verrast reageert op kerkdiensten. Maar ook generatiegenoten van Maarten ’t Hart die met de ouderdom milder zijn geworden over geloof en kerk. Sodom en Gomorra zouden gespaard zijn omwille van tien rechtvaardigen, een minjan*. Het individu telt bij God zwaar. We mogen omwille van al die individuen (hoe vele duizenden zouden het landelijk wel niet zijn) Nederland toch niet onder een zwaarder oordeel laten vallen dan Sodom en Gomorra (en nog voor de dag des oordeels is aangebroken).
Betekent dit dat we moeten geloven in een op handen zijnd reveil in onze cultuur? De nuchtere reactie van Arnold van Heusden sprak mij aan: eerst evangeliseren, dan zien we vanzelf wel of er een grote opwekking komt. En ik laat me daarin graag door God verrassen!
Ingeschakeld tot de ontvangst
Dat de ontvankelijkheid van mensen voor het evangelie wel mee mag wegen blijkt uit Mattheüs 10. Daar worden de discipelen door Jezus voor het eerst uitgezonden om te (oefenen met) evangeliseren.
Zij worden onder andere aldus geïnstrueerd: ‘En indien iemand u niet ontvangt of uw woorden niet hoort, verlaat dat huis of die stad en schudt het stof uwer voeten af.
Voorwaar, Ik zeg u, het zal voor het land van Sodom en Gomorra draaglijker zijn in de dag des oordeels dan voor die stad’ (vers 14,15). Drie opmerkingen hierbij. Ten eerste wordt niet gestopt met evangeliseren maar richten de gezondenen (in het Grieks: apostelen) zich tot een volgend huis of stad, ook al blijft het een gezonden zijn ‘als schapen midden onder de wolven’ (vs. 16).
Ten tweede wordt het zware oordeel pas geveld op de dag des oordeels.
Dat betekent ten derde dat ieder ander die vóór de dag des oordeels wel een ingang vindt tot het hart van de aanvankelijk niet-ontvankelijke mens, van harte aangemoedigd wordt het afgebroken werk af te maken. Tot geloof komen is een proces waarbij vaak meerdere ‘evangelisten’ door de Heilige Geest - als het ware als schakels in een keteningeschakeld worden. Dat de een afmaakt wat de ander begonnen is, is eerder praktijk dan uitzondering.
Continu.teit en eendracht
Ik vind het ook jammer dat collega De Jong met zijn opmerkingen over geestelijk verwaarloosde ouderen in de kerk een door evangelisatieactiviteiten gecreëerde generatiekloof suggereert.
In veel gevallen waren het juist de oudere generaties die de evangelisatiefakkel aan ons doorgegeven hebben. In mijn voorgeslacht was het onder andere mijn overgrootvader die met dominee Merkelijn als zendeling actief was op Java, en een andere voorouder die in de 19e eeuw in het Friese Reveil een evangelieprediker was. In de kerk van Rijsbergen waren het ruim 40 jaar geleden de mensen van het eerste uur die onze gemeente haar missionaire elan gaven. Van dat gecontinueerde evangelisatiewerk zien wij bescheiden vruchten in de vorm van jongeren die voor het eerst graag naar de kerk gaan en zelfs in enthousiasme hun ongelovige vrienden meenemen. Onder de ouders en grootouders van deze jongeren zijn veel ‘ouderen’ die dankbaar en enthousiast zijn over deze eerstelingen van de evangelisatieoogst.
Er zullen heus ouderen zijn die zich geestelijk verwaarloosd voelen en natuurlijk mogen wij jong en oud oproepen om over en weer zorgzaam te zijn voor elkaar. Juist omdat de Geest die ons de kracht en inspiratie geeft om het evangelie te verkondigen ook de Geest is die de (mogelijke) kloof tussen generaties overbrugt, opdat jong en oud in eendracht mogen getuigen.
Melk of vaste spijs op zondag
Dominee de Jong signaleert zoals gezegd geestelijke verwaarlozing van de ouderen onder ons en constateert verderop dat het (de opgroeiende generatie) ontbreekt aan degelijke vorming en het met de geloofskennis droevig gesteld is. Dat lijkt mij (opnieuw) erg somber. Toch kunnen we ook in onze minder sombere kijk op deze tijd ten volle zijn pleidooi onderschrijven dat het Woord verkondigd en onderwezen moet worden, en wel zo dat het jong en oud uitnodigt tot luisteren en dat het leidt tot geloofsverdieping. En aangezien geloven liefhebben van God is met hart, ziel, kracht én verstand, mag daarbij in de kerk ook het verstand aangesproken en opgebouwd worden.
De Jong stelt dat het volwassen geloof recht heeft om in de prediking gevoed te worden. Hij borduurt dan verder op de voedselbeeldspraak van melk en vaste spijs en citeert daarbij uit Hebreeën: ‘Hierover hebben wij veel te zeggen, maar het is moeilijk uit te leggen, omdat gij traag zijt geworden in het horen. Want hoewel gij, naar de tijd gerekend, leraars behoordet te zijn, hebt gij weer nodig, dat men u de eerste beginselen van de uitspraken Gods leert, en gij hebt nog melk nodig en geen vaste spijs. Want ieder, die nog van melk leeft, heeft geen weet van de rechte prediking: hij is nog een zuigeling.
Maar de vaste spijs is voor de volwassenen, die door het gebruik hun zinnen geoefend hebben in het onderscheiden van goed en kwaad’ (Hebr. 5:11-14).
Betrokkenheid voeden
De Jong heeft het over een recht van de volwassen gelovigen om gevoed te worden, maar de tekst die hij citeert veronderstelt (misschien wel meer dan een recht) een eigen verantwoordelijkheid, een plicht om als volwassen gelovige zichzelf te (laten) voeden. Het voeden van deze schapen is dus niet de taak van pastor of prediker alleen.
De aangehaalde tekst maakt bovendien duidelijk dat het recht op het consumeren van vaste spijs direct verbonden is aan de plicht om leraars te zijn!
Het lijkt mij niet ver gezocht om dan primair te denken aan het onderwijzen van diegenen die nog melk nodig hebben.
In plaats van uit te gaan van con flicterende belangen tussen hen die aan vaste spijs toe zijn en hen die nog aan onvervalste melk behoefte hebben, zou wat mij betreft juist een bijzondere betrokkenheid van volwassen gelovigen bij de prediking aan jonge gelovigen en ongelovigen ons uitgangspunt mogen zijn.
Als melk staat voor de eerste beginselen van het christelijk geloof, dan geldt de slogan: ‘melk is goed voor elk’. En dus moeten we ook niet te min spreken over melk en melkklantjes. Voor wie aan vaste spijs toe is, kan een slok gezonde en voedzame, volle of halfvolle melk geen kwaad. Het wordt pas zorgelijk als volwassen gelovigen niets dan melk krijgen of jonge gelovigen nooit zover komen dat zij hun tanden in steviger en pittiger kost kunnen zetten.
Maar in eerste instantie zijn ongelovigen en jonggelovigen volledig afhankelijk van deze melk. Het ‘recht’ op melk van de zwakken in het geloof, de nog magere schapen, mag hun niet ontzegd worden door de sterken in het geloof, de weldoorvoede schapen, in hun streven om eigen honger te stillen. Om Ezechiël 34:18,19 te parafraseren.
Hoeveel temeer
Naar aanleiding van wat De Jong zegt rijst de vraag of het geoorloofd is om op zondag melk te verstrekken aan zuigelingen in plaats van vaste spijs.
Mogen wij op zondag in een kerkdienst een evangelisatietoespraak houden tot behoud van ongelovigen en tot opbouw van pasbekeerden? Naar analogie van Jezus’ woorden in Mattheüs 12 zou ik antwoorden: als het geoorloofd is om op sabbat een schaap uit de put te redden en een mens van ziekte te genezen, hoeveel temeer is het dan geoorloofd op zondag verloren schapen te redden en in de kerkdienst mensen genezing aan te bieden van hun meest ernstige kwaal. Daarmee worden volwassen gelovigen niet afgescheept.
Met een beetje goede wil en creativiteit komt ieder in de kerk aan zijn trekken. Benut terwille daarvan de mogelijkheden die een tweede kerkdienst biedt, houdt doordeweekse Bijbelstudie of volwassenencatechese, of preek gericht op een gemêleerd gehoor, onderscheidenlijk zoals dat vroeger heette.
* In het jodendom het vereiste minimum aantal personen om een godsdienstoefening te mogen houden.