Predikantschap en opleiding (1)

2002-01-25
  • Jaargang 46
  • nummer 2
In onze kerken is er een discussie over de predikantenopleiding. Een goede zaak. Want toerusten en opleiden van mensen die het Woord kunnen brengen is van levensbelang voor het voortbestaan van de kerk. Paulus maande Timotheüs al om daar goede aandacht voor te hebben (1 Timotheüs 2:2).

En predikanten vervullen nog steeds zo’n belangrijke rol in de gemeente, dat het niet overdreven is te stellen, dat er een verband bestaat tussen de kwaliteit van de voorganger en de kwaliteit van het gemeentelijk leven.
Maar: voeren we die discussie wel op een goede manier?
Vanuit het Nederlands gereformeerd Seminarie wordt telkens weer de kwestie aangesneden van de plaats die de theologische wetenschap mag innemen in de opleiding tot predikant. In zijn laatste bijdrage gaat prof. Troost hierop opnieuw in. Ik meen dat dit een veel te beperkte invalshoek is.
Dat wij ons vandaag intensief moeten bemoeien met de opleiding heeft alles te maken met de sterke veranderingen in het predikantschap van de afgelopen jaren. En als het predikantschap verandert, moet de opleiding tot predikant vroeger of later mee veranderen.

Veranderd predikantschap
Dat het predikantschap sterk is veranderd, was een constatering die mijn vader al deed (Ds. D.K. Smit, die predikant was van 1955-1978 in achtereenvolgens de Vrijgemaakte en Nederlands Gereformeerde kerken en in 1990 is overleden). Opgeleid aan de Theologische Hogeschool in Kampen (Broederweg) onder hoogleraren Schilder, Holwerda en Jager, klaagde hij dat hij in de praktijk met dingen geconfronteerd werd, waar hij in de opleiding totaal niet op was voorbereid.
Anderzijds had hij zich dingen eigen gemaakt die in de loop van de tijd hun belang volstrekt voor hem hadden verloren.
Hij dacht daarbij vooral aan twee dingen.
Komend vanuit een dogmatische ‘bouwwerk-theologie’ verlangde hij met velen van zijn generatie naar een theologie van bijbelse eenvoud en doorzichtigheid. En ten tweede voelde hij -eveneens met velen van zijn generatie- een gemis aan kennis van wat hij noemde ‘psychologische zaken’.
Inzicht in het hoe en waarom van het mislukken van een huwelijk en het functioneren en disfunctioneren van menselijke relaties in het algemeen.
Gezond verstand, goddelijke wijsheid en bereidheid om te leren vingen een aantal van die tekorten op. Maar het gevoel niet voldoende toegerust te zijn bleef toch bestaan.
Toch, terwijl samenleving, kerk en predikantschap in hoog tempo veranderden, veranderde aan de traditioneel gereformeerde opleiding in al die jaren niets of bijna niets.

Een tweede generatie
Een tweede generatie predikanten (zeg maar vanaf de zeventiger jaren) deed na verloop van tijd overeenkomstige ervaringen op. Maar dan heftiger.
Kon een vorige generatie predikanten bij het gevoelde tekort zich nog redelijk gemakkelijk als predikant handhaven, bij een volgende generatie kwam het eigen functioneren als predikant onder sterke druk te staan. Meer dan eens leidde (en leidt) dit tot crisis-achtige situaties in gemeenten. De recente golf van publiciteit over moeizaam functionerende predikanten heeft daar alles mee te maken.
De achtergrond van de verheviging van deze problematiek is gelegen in de culturele verandering die zich in de zestiger en zeventiger jaren in onze samenleving heeft voltrokken. Een proces dat we doorgaans aanduiden als ‘modernisering’.
‘Mondigheid’, ‘democratisering’, ‘individualisering’ en ‘pluriformisering’ zijn daarbij de trefwoorden.
Daar is in onze kerken heel wat over geschreven (voornamelijk in kritische zin), maar slechts sporadisch rekening mee gehouden.
Deze ontwikkeling zorgde ervoor dat predikanten en ouderlingen niet meer konden werken volgens het traditionele patroon waarin ze waren opgeleid.
Dat traditionele patroon is gegroepeerd rond twee belangrijke begrippen: ‘woord’ en ‘ambt’.

Woord en ambt
In de protestantse gereformeerde traditie wordt de predikant traditioneel gezien vooral gezien als Dienaar van het Woord. Een nederige benaming, die in de praktijk evenwel sterk gevuld is met noties van gezag. De predikant wordt geacht vanuit de Schrift een gezaghebbend woord tot de gemeente te spreken. Zo is hij bezig om de gemeente tot ‘gehoorzaamheid des geloofs’ te brengen. Ongeveer naar het model van de apostel Paulus, aan wie deze uitdrukking is ontleend.
(Romeinen 1:5).
Zijn gezag rust op twee pijlers:
• Het gezag van de Schrift als het Woord van God, (in de uitleg waarvan hij is onderwezen)
• Zijn positie als door God geroepen ambtsdrager.
Een en ander is gesymboliseerd in de verhoogde ‘kansel’. Het ‘spreekgestoelte’ vanwaar de Schrift wordt uitgelegd van ‘de andere kant’. Om niet te zeggen ‘van boven af’.
In de beleving van veel mensen is de predikant nog steeds ‘degene die op de kansel staat’. In ons spraakgebruik werkt dat nog na: ‘een dominee ‘staat’ ergens’.

Opleiding
De opleiding tot predikant in de traditioneel gereformeerde kerken is sterk op dit predikantstype gericht.
De opleiding cirkelt in hoge mate rond de bekwaamheid de Schrift uit te leggen en de leer van de kerk te begrijpen, te handhaven en te verdedigen. Het tijds- en energiebeslag van bijbelwetenschappen en dogmatische wetenschappen is in de traditioneel gereformeerde opleiding enorm hoog. Hun status is zo belangrijk dat ze de neiging hebben ook andere vakgebieden overwoekeren.
Daarvan een paar voorbeelden uit mijn eigen opleidingsverleden (zo’n 25 jaar geleden).
Het onderwijs in het vak waarin je moest leren preken (homiletiek) ging maar zelden over de praktijk van de prediking zelf, maar heel veel over de visies van verschillende dogmatische theologen over de prediking. Op die manier was het een verkapte vorm van dogmatiek.
Het onderwijs in het pastoraat ging maar zelden over de praktijk van het pastoraat, maar werd voor een groot deel besteed aan de bijbelse grondwoorden voor het pastoraat en het (dogmatisch) beoordelen van concepten van pastoraat. Op die manier was het in feite een verkapte vorm van bijbelwetenschap en weer dogmatiek.
Het onderwijs in de catechetiek ging maar zelden over de praktijk van onderwijs en vorming in de kerk en de bezinning daarop , maar over de geschiedenis van de catechese en over hoe je de verschillende opvattingen over catechese dogmatisch moest beoordelen.
Op die manier was het een verkapte vorm van kerkgeschiedenis. Etc.

Ambt 'nieuwe stijl'
De culturele omwenteling in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw heeft grote gevolgen gehad voor het kerkelijk beleven van en denken over ‘woord’ en ‘ambt’. Er ontstond (en ontstaat) een nieuwe zienswijze.
Die nieuwe kijk op het ambt wordt onder meer zichtbaar in de volgende punten: Zonder meer, alleen op basis van je ‘ambt’, een ‘gezaghebbend woord’ spreken gaat niet meer, ook al zou je het willen. Om gezaghebbend te zijn in deze tijd zal de mondigheid en eigen ervaring van de gemeente gehonoreerd moeten worden.
Er is een stroom van gemeenteopbouw litteratuur verschenen waarin aandacht gevraagd wordt voor de charismatische grondstructuur van de gemeente.
Men ontdekte: niet het ambt is primair, maar de gemeente met haar gaven.
Waren er geen gemeenten met gaven, dan waren er ook geen ambten. Het inzicht brak door dat het ambt alleen maar kan functioneren in samenhang met mensen die geestelijke gaven hebben en inzetten.
Men ontdekte dat de gereformeerde kerken wel erg een ‘ambtenkerk’ zijn geworden; en dat op minder bijbelse en meer historische gronden, dan we altijd dachten. (Zie bijv. het boek van de hervormde prof. Graafland over de ambten, maar al eerder waren daarover al publicaties verschenen) Het is niet moeilijk in te zien dat deze verschuivingen in visie op en beleving van het ambt grote invloed hebben op het concrete functioneren van de predikant.
Bereidheid tot samenwerking, vaardigheid in toerusting en het geven van leiding, capaciteit tot het ontwikkelen van visie (alles vanuit het Woord) worden in toenemende mate als belangrijke vereisten voor een goed functionerende predikant beschouwd.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief